Geestelijke gezangen van oudvaders

Wekelijks wordt er op de pagina Weekdiensten een gedicht, of enkele coupletten daarvan, geplaatst.

Op deze pagina kunt u alle gedichten in hun geheel teruglezen.

Christelijk hoflied


Op ‘t aanschouwen van de groenende velden, bloeiende bomen, groeiende vruchten

Psalm 92: 13,14,15: De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon. Die in ‘t huis des Heeren geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn.

Te zingen op de melodie van Psalm 8

1. Zingt, o mijn ziel! De heerlijkheid des Heeren,
Al wat gij ziet, is vaardig u te leren,
Gods allemacht, en grote goedigheid,
Elk schepsel zingt van ‘s Scheppers wijs beleid.

2. Zijn levend woord doet alle ding herleven,
Het dorr’ gelaat des winters is verdreven;
De ganse aarde schijnt als weer verjeugd,
Ja al wat leeft is op zijn wijs verheugd.

3. Hoe groent het veld! ‘t geboomte staat te bloeien,
De plant, en kruid' zijn willig om te groeien,
De knop ontsluit de bloem. Dan zet de vrucht.
Ziet hoe ‘t gewas, als naar zijn rijpheid zucht!

4. De schone bloesem, ‘t sieraad van de hoven,
Komt overvloedig hare vrucht beloven.
Hoeveel vergaat die nimmer rijp en wordt!
‘t Geen heerlijk bloeit, ook lichtelijk verdort.

5. Als haar de vrucht tot rijpen wil gaan zetten,
Helaas! Wat wil haar wasdom al beletten?
De vlieg, de rups, mist, droogt’, of gure wind,
Doen dat men weinig rijpe vruchten vindt.

6. Gij moet, o mens! Hier nutte lessen leren,
Tot dit gezicht, verstand en aandacht keren.
Zie hoe natuur, herschapen weder leeft,
En gij! Doorzoekt wat vrucht uw ziele geeft?

1e pauze

7. Wanneer ik eens mijn leven had verloren,
Wierd ik van boven door Gods Geest herboren,
Den Stam, en Wijnstok Jezus, ingelijft,
In Wien mijn ziele leeft, en eeuwig blijft.

8. Nu groei ik aan, en rijp; naar maat’, in trappen,
Van deugd, tot deugden, zoek ik voort te stappen,
‘K Jaag naar volmaaktheid, tot mijn merk gezet,
Maar ‘k vindt in ‘t voortgaan veel dat mij belet.

9. Dikwijls begint de deugd al zeer te bloeien,
In zucht, in lust, in opzet om te groeien,
Een goed begin! maar lichtelijk verdort.
Wat is een bloem, waaruit geen vrucht en wordt?

10. De satan hoont met zijn vergiften vliegen,
In ‘t zondig hart, gezet om te bedriegen.
Door wereld, vlees, met haar begeertes lust,
Wordt kracht, en geest ten goede uitgeblust.

11. Als Gij ook Heer’, verbergt de zonnestralen,
Van Uw genâ; en niet laat nederdalen
Op mijne ziel Uw Geest, en ‘s hemels dauw.
Dan kwijnt de vrucht, dan is mijn leven flauw.

2e pauze

12. Mijn ziel! de kracht om vele vrucht te dragen,
Komt niet van u. God werkt naar Zijn behagen.
Bidt Hem om Geest, Die u dan wassen doet,
En Gij werkt ook met vlijt al wat gij moet.


13. Zo wie begeert veel rijpe vrucht te plukken,
Het ongediert’ moet hij intijds verdrukken.
En snoeien af wat overtollig spruit,
Ook ‘t boos onkruid moet al ter harten uit.

14. Gods wet doorploege d’ harde woeste harten,
‘t Genâ-verbond, verlicht’ der zielensmarten
Die in Gods Woord en dienst zijn ziele mest,
Groeit meerder aan, zijn vruchten rijpen best.

15. In ‘s Heeren hof, aan Sions waterplassen;
Daar zal de ziel, in deugd en gaven wassen;
Daar straalt genâ, daar schijnt der Zielenzon.
‘t Hart wordt besproeit door Jezus ‘s Levensbron.

3e pauze

16. Wast dan, o ziel! in kennis, en gelove.
Voert uw verstand en harte meer naar boven.
Bedenkt, omhelst ‘t geen in den hemel is.
Steunt en vertrouwt op Gods beloftenis.

17. Laat ‘t vuur der liefde meerder zijn ontsteken,
Dat kou en flauwte van u zijn geweken.
Dat al uw doen, beroep, godsdienst en plicht
Door liefde Gods, en mensen zijn verricht.

18. Leert al het schepsel meer en meer verzaken,
Gaat uit uzelf’ en Jezus! zal u naken.
Draagt ook Zijn juk; genoegt u met uw lot.
Geeft beter vrucht, tot ere van uw God.

19. Het boze vlees met zijn verkeerde lusten
Moet zijn gedood; laat nooit de zonde rusten,
Ja dat er geen in u, o ziel! regeer,
Maar zuiv’re deugd en heiligheid vermeêr.

4e pauze

20. O Levensbron! deelt mij toch van Uw leven.
Hoe kan een dode ziel U vruchten geven?
Ach geeft nu Geest! Zo wordt mijn geest verjeugd!
Dan groeit, en rijpt, in mij genâ en deugd.

21. O Zon der liefde! doet Uw liefde dalen.
Mijn vrucht die groeit niet zonder Uwe stralen.
Verwarmt mijn hart dat anders is te koel,
Dan leeft mijn ziel als ik Uw liefde voel!

22. O Heere! stort toch neder uit de hoogte
Van Uwen Geest, op mijner zielen droogte;
Giet Gij niet neer een grote regenplas;
Zo druip’ Uw dauw! op mijn teer deugdgewas.

23. Breek ‘t harde hart, totdat het zij vermorzeld
‘t Onkruid van ‘t vlees, welk tegen ‘t goede worstelt,
Roei ‘t uit. Verdrijft ook ‘t schaad’lijk ongediert',
Ja al wat doet dat mijn vrucht niet en siert.

24. O zegenrijke God! zo mild en goedig.
Geeft mij genâ; dan geef ik overvloedig
Vrucht tot Uw eer; ach, laat in Jezus' Naam!
Mijn tere vrucht voor U zijn aangenaam.

H. Uilenbroek (?-1681)

Jezus opgestaan

Te zingen op de melodie van Psalm 68

  1. Zo treedt de Held ten grave uit,

En voert de dood als roof en buit,

Nu achter Zijne wagen.

Zo triomfeert Hij over dood

En graf en hel en laatste nood,

Zo komt de Zon opdagen.

De Levenszon, Die leven geeft,

Die nu in eeuwigheden leeft,

Om al Zijn volk volkomen

Van dood en graf te maken vrij,

In Hem een eeuwig leven zij,

De hel zijn kracht benomen.

 

  1. Triomf, triomf, de bitterheid

Van dood en hel in eeuwigheid,

Voor ’s Heeren volk geweken.

O, allerschoonste morgenstond,

Komt zielen, door uw ziel gewond,

De schuld is doorgestreken.

De Vader is geheel voldaan,

Gij moogt nu vrolijk troonwaarts gaan,

Kwitantie is geschreven.

De schuld is door uw Borg betaald,

Gena, genade zegepraalt;

Gij zult nu eeuwig leven.

 

  1. Nooit was er groter zegepraal,

Nooit groter vreugd in ’s hemels zaal,

De dood is nu verslonden.

Uw Brui’gom komt, verliefde bruid,

De dood ten trots, ten grave uit,

Van alle schuld ontbonden.

O dood, waar is uw hels geweld,

Waar is uw macht, gij ligt geveld,

Uw prikkel is ontnomen.

Wij zijn ’t geweld des doods ontvloôn,

Onz’ Koning wint de levenskroon,

Het leven is gekomen.

 

  1. Mijn grote Koning Jezus leeft,

Die mij het eeuwig leven geeft;

De helse machten beven.

Mijn hogepriester Jezus leeft,

Die mij pardon en vrede geeft

En eeuwig, zalig leven.

Mijn Levensvorst, mijn Jezus leeft,

Die mij het zalig leven geeft,

O dood, gij zijt gestorven.

Mijn Heiland, mijne Goël leeft,

Die in mijn plaats het losgeld geeft,

En ’t leven heeft verworven. 

    1. Mijn Borg Emmanuël, Die leeft,

    De macht der helle voor Hem beeft,

    Hij heeft de dood verslonden.

    De dood is dood en eeuwig dood,

    Mijn Jezus leeft, geen laatste nood

    Kan nu mijn ziel verwonden.

    Triomf, triomf, de dood is dood

    En eeuwig dood, geen nood, geen nood,

    Laat vrij de hele woeden.

    ’t Zal eeuwig met ons wel vergaan,

    Deez’ zegepilaar eeuwig staan,

    De vijand zal het voelen,

     

    1. Dat onze Koning Jezus leeft,

    En naar de troon des hemels streeft,

    Om Hem Zijn troon te storen.

    O Jezus, nu Uw leven toont

    En onze ziel met leven kroont,

    Nu is de dag geboren

    Van leven voor mijn dode ziel,

    Die veel in onmacht nederviel,

    Schier van de dood verwonnen.

    O, zalig leven in ons Hoofd,

    Die nu de draak van macht berooft,

    O, zaal’ge Levenszonne.

     

    1. Die in de vroege morgenstond,

    Als Overwinnaar nu op stond,

    De helse macht verslagen.

    Triomf, triomf, de Koning leeft,

    Triomf, triomf, de helhond beeft,

    Gebonden aan een wagen,

    Van deze Overwinnaar groot.

    Triomf, triomf, de dood is dood

    En eeuwig overwonnen.

    Triomf, triomf, de Kruisheld leeft,

    Hij overwon de dood en heeft,

    Doen opgaan ’s Levenszonne.

     

    1. De dood nu overwonnen leit,

    Nu leeft Gods volk in eeuwigheid

    En zal geen dood aanschouwen.

    Juicht op die overwinning al,

    Uw vijand doet een eeuw’ge val,

    Gij zijt bevrijd van rouwe.

    Vreest nu geen bang’ en nare dood

    En schrikt niet voor de laatste nood,

    Die voert u in Gods woning.

    Verlangt maar naar de eeuwigheid,

    De vorst des doods gevangen leit (= ligt),

    Nu leeft uw grote Koning.

     

    Ds. J. Groenewegen (1709-1764)

    Uit: De lofzangen Israëls

    Jezus’ opstanding

    (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

    1. Glorierijk staat Jezus op,
    Na het grondeloze sop,
    Schuld en toorne had gedronken,
    Zonden van Zijn eigendom,
    Hadden Hem aan ‘t kruis geklonken,
    En gemaakt in ‘t lijden stom.

    2. Maar Hij nu Zijn rijk aanveert,
    Over d’ helle triomfeert,
    En God Richter staakt Zijn banden,
    Omdat Hij nu is voldaan,
    Geeft het heilrijk in Zijn handen,
    Dat den zondaar vrij mag gaan.

    3. Zij zal Zijne Majesteit,
    En Zijn goedertierenheid,
    In de hoogste top doen brallen,
    Met de glorie van Zijn kroon,
    Heerschappije over allen,
    Nu zal krijgen tot zijn loon.

    4. Vloek noch dood noch hel verwoed,
    Kunnen ‘t aangename zoet,
    Van Zijn heerschappij niet storen,
    Hij heeft d’ overwinning dan,
    Toegejuicht van hemelkoren,
    Dat geen hel beroeren kan.

    5. Gij Zijn gunstgenoten juicht,
    En uw blijdschap toch betuigt,
    Dat uw Koning ‘t eeuwig leven,
    Heeft verkregen door Zijn dood,
    Maar nu leeft om ‘t u te geven,
    Dat de dood nu voor u vlood.

    6. Ziet hoe dat nu ‘t godd’loos rot,
    Dat met Zijne glorie spot,
    Gaat verstuiven door Zijn machten,
    En verliezen al haar kracht,
    Want Zijn Goddelijke krachten,
    Doet verbreken al haar macht.

    7. Maar Zijn hart is met Zijn volk,
    Dat Hij door een hemeltolk,
    Maakt bekend Zijn vrij ontfermen,
    En de diepte van Zijn liefd’,
    Dat haar red van ‘t nare kermen,
    En haar lievend’ hart doorgriefd’.

    8. En Petrus die ‘t voorwerp was,
    In de zaal van Kajafas,
    Als de Heer’ Zijn liefde-ogen,
    Daalden neer tot in Zijn hart,
    Nu het heilig mededogen,
    Hem ontheft van schuld en smart,

    9. En toch al Zijn vriendenstoet,
    Welk een stroom van liefdegloed,
    In Zijn harte had ontsteken,
    Neemt Hij op met medelij,
    Schoon zij waren weggeweken,
    Maakt haar na veel droefheid blij.

    10. Zodat heel de kans verkeerd,
    Jezus alles overheert,
    Wat de hel had uitgevonden,
    Los, door Gods gerechtigheid,
    Tot betaling van de zonden,
    Luister van Zijn Majesteit.

    11. Hij de dood nu overwint,
    En de prikkel zelfs verslind;
    Belial den kop verbroken,
    En het slangenzaad verplet,
    Dat Hem had de hiel gestoken,
    En volvoert het recht der wet.

    12. Lieve Jezus, zoete Heer’,
    Breekt ook nu de banden meer,
    En de boeien die mij prangen,
    Maakt mijn arme ziele vrij,
    Dat ik niet meer zij gevangen,
    Van die helse maatschappij.

    13. Maar een vrijgemaaakte ben,
    En U toch veel nader ken’
    Wil, o Koning, in mij leven,
    Dat ik in U rusten mag,
    Wil de dood de doodsteek geven,
    Met al ‘t dodelijk bejag.

    14. Opdat met Uw lieve schaar’
    Vrijgemaakt van ‘t helse naar,
    U mag loven met gezangen,
    Roemen Uwen groten Naam,
    Die genadig wilt ontvangen.
    U te eren maakt bekwaam.

    15. Zo zal ik eens met de rei,
    Van Uw Koninklijk gelei,
    Glorierijke hemelscharen,
    Juichen het Hallelujah,
    En mijn stem met d’ hare paren,
    Op dien groten Jubeldag.

    Johannes Verschuir

    Aan de gekruiste Jezus

    Te zingen op de melodie van Psalm 51

    1. Gekruiste Jezus, heilig Offerlam,

    Om onzentwil gevangen en gebonden,

    Verwond, gegeseld, jammerlijk geschonden,

    O Zone Gods, Die ons verlossen kwam,

    Die zo veracht, versmaad, bespot, gehoond,

    Gedoemd ter dood, de zonden hebt gedragen,

    Voor ons aan ’t kruis gehecht, met doorn gekroond,

    Hoe bitterlijk moet Gij, o Heiland, klagen!

     

    1. Mijn ziele is geheel bedroefd ter dood,

    Als Gij de pers des gramschaps Gods moest treden,

    Hoe worstelt Gij, met tranen en gebeden!

    In ’t bloedig zweet, o angst, o strijd zo groot!

    Der zondenlast hoe heeft die U gepraamd?

    Tot in de dood, o lijden bovenmate!

    Gij riep (als ’t lichaam hing als een geraamt’)

    Mijn God! Mijn God! Hoe hebt Gij Mij verlaten!

     

    1. O Heilfontein! Gezegend Levensvorst;

    Smaad’lijk ontkleed, met nagelen doorgraven;

    Gij hangt ten toon als de verachtste slaven,

    Zo afgemat en flauw roept Gij: ‘Mij dorst’!

    Waarlijk, Gij dorste naar de zaligheid!

    Van d’ arme zondaars (buiten U verloren),

    Gij hebt volbracht ‘tgeen U was opgeleid

    En stierf uit liefde tot Uw uitverkoren!

    1. Dank zij U Vader, Uw genaad’ is groot!

    Uw een’ge Zoon hebt Gij ten kruis gegeven

    Voor ons! opdat wij eeuwig zouden leven.

    Dank zij U Jezus! Uw vervloekte dood,

    In onze plaats gewillig uitgestaan!
    (Als Gij bij God U voor ons Borge stelde)
    Heeft ons verzoend, en alle schuld voldaan.

    Hoe zullen wij, o Heiland, dit vergelden?

     

    1. O snode zond’ die mijnen Jezus kruist!

    Gij moet gekruist, gedood zijn, en begraven

    O boos gedrocht! gij maakt ons satans slaven.

    Gij moet verdelgd, ja gans’lijk zijn vergruist

    Maar o mijn Jezus! in mij is geen kracht,

    Doet door Uw dood, in mij de zonden sterven.

    ’t Genadewerk werd voorts in mij volbracht.

    Dat ik U leve, en Uw heil mag erven.

     

    H. Uilenbroek (?-1681)

    Troost uit Christus’ lijden en verdiensten

    (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

     

      1. O Jezus! al mijn roem bestaat

    In Uw zwaar lijden, kruis en smaad.

    Mijn troost, mijn rust, mijn lust, mijn eer,

    Is maar in Uwe woorden, Heer’.

    Gij zijt mijn heil en hulp in nood,

    Gij zijt mijn leven in de dood.

     

    1. Hoe hoog, hoe diep, en uitgebreid

    Is Uwe liefd’ en goedigheid?

    Wanneer wij waren afgedwaald

    Zo heeft Uw hand ons opgehaald,

    En door haar wijsheid ende kracht

    Ons tot den Vader weêrgebracht.

     

    1. Groot is mijn ongerechtigheid,

    Maar groter Uw rechtvaardigheid,

    Die mij zal toegerekend zijn

    Niet anders of ze waar’ de mijn’.

    Dies zing ik met een zoet geluid

    De lofzang van Gods kind’ren uit.

     

       

      1. Ik ben zeer vrolijk in den Heer’,

      Ja mijne ziel verheugd haar zeer

      In mijnen lieven God want Hij

      Zeer heerlijk heeft bekleeddet mij

      Met het gewaad der zaligheid

      En mantel der gerechtigheid.

       

      1. Gelijkerwijs een Bruidegom

      Met priesterlijk sieraad rondom

      Zich op het heerlijkste versiert,

      Wanneer men zijnen trouwdag viert,

      En als een bruid die haar met vlijt

      Versiert met al haar schoon gesmijt.

       

      1. Want evenals de aard’ haar spruit

      En als een hof ’t gezaaide kruid

      Voortbrengt; alzo zal ook de Heer’

      Gerechtigheid en lof en eer

      Uitspruiten doen voor Zijne schaar’,

      Die overal verspreiddet haar.

       

      Ds. W. Sluiter (1627-1673)

      Van 't lijden van Christus

      (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

       

      1. Wie hangt er zo deerlijk, geteisterd, geschonden,

      Roosvervig, vol striemen en wonden,

      Tot smaadheid en schande, aan ’t kruishout verheven,

      Wat heeft Hij, wat heeft Hij misdreven?

       

      1. Dat is er het Slachtlam, zo heilig geboren,

      Tot breking, en lessing van toren (= toorn);

      Zijn misdaad is liefde, uitvloeien en geven,

      Dat kost Hem, dat kost Hem Zijn leven.

       

      1. Kost dat Hem Zijn leven, die Schoonste van allen,

      Hoe is Hij in ’t lijden vervallen?

      Of is het uit liefde, en heilige minne;

      Wat zal Hij daarmede dan winnen?

        1. Wat anders als ’t leven der eeuwige zielen,

        Die droevig in zonden vervielen,

        Opdat Hij die schulden verzoene en boete;

        Zo druipen Zijn handen en voeten.

         

        1. Ach Jezus! Beminde, Hoogwaarde en Schone,

        Wie zal U, wie zal U belonen?

        Uw weldaad die gaat ons vermogen te boven;

        Wij willen U prijzen en loven.

         

        Jan Luiken (1649-1712)

         

        Boekje met 32 liederen voor Lijdenstijd en Pasen

         

        Gratis boekje digitaal verkrijgbaar met 32 gedichten van de oudvaders

        Laat u bemoedigen en onderwijzen door de rijke woorden van de oudvaders.

        In dit mooie boekje vindt u 32 zorgvuldig geselecteerde gedichten vol geestelijke diepgang en troost.

        De liederen staan in de oude spelling en de tekst is ongewijzigd.

        14 van deze liederen zijn te zingen op Psalmmelodieën.

        Nu gratis te verkrijgen!

        Wilt u dit boekje digitaal ontvangen?
        Geef dit dan eenvoudig door met uw e-mailadres en telefoonnummer via het contactformulier.

        Indien gewenst kunt u daarnaast ook een boekje met koraalzettingen in notenschrift digitaal ontvangen.

        Wij zorgen dat u het boekje zo spoedig mogelijk toegestuurd krijgt.

         

        Liederen uit de kring der

        Nadere Reformatie

         

        Geschreven door:

        1. Philips van Marnix (1540-1598)

        2. Jacobus Revius (1586-1658)

        3. Bernardus Busschoff (1592/3-1639)

        4. Fransiscus Nicolaï de Wael (1594-1670)

        5. Claes Jacobsz Wits (1599-1669)

        6. Jodocus van Lodensteyn (1620-1677)

        7. Fransiscus Ridderus (1620-1683)

        8. Willem Sluiter (1627-1673)

        9. Hendrik Uilenbroek (?-1681)

        10. Johannes Kloeck (1641-1714)

        11. Jan Luiken (1649-1712)

        12. AEmilius van Cuilenborgh (ca. 1650-1704)

        Het bloed van Christus

        (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

         

        1. Mijn Zaligmaker! rood als bloed zijn mijne zonden,
        Als karmozijn of als scharlaken haar gelaat; (Jes. 1:18)
        ‘k Lig in mijn bloed vertreen van mijn geboortestonden, (Ez. 18:4,5,6)
        En heb mij zeer besmet met bloedschuld in der daad. (Ps. 51:16)

        2. Geen stier- of bokkenbloed kan mij daarvan bevrijden, (Hebr. 10:4)
        Noch ook mijn eigen bloed daarvoor betalen kan; (Matth. 16:26)
        Maar Gij hebt bloed gezweet en met on-spreek’lijk lijden (Luk. 22:44)
        Vergoten aan het kruis; dat reinigt mij daarvan. (Joh. 19:34; 1 Joh. 1:7)

        3. Uw bloed, Uw dierbaar bloed hebt Gij ‘t U laten kosten (1 Petr. 1:18,19)
        Uw bloed, ‘t onschuldig bloed vergoot Gij met veel smart,
        Dewijl gekomen was het jaar van Uw verlosten, (Jes. 63:4)
        Mijn Heiland, en de dag der wraak was in Uw hart.

        4. Dit bloed hebt Gij voor mij geofferd Uwen Vader, (Hebr. 9:14)
        Door Uwen eeuw’gen geest, geheel onstraffelijk,
        Om mijn geweten van mijn zonden allegader
        Te reinigen, opdat ik daarvoor niet en schrik.


        5. Ontzondigd mij alleen met dezen hysop, Heere, (Ps. 51:9)
        En ik zal zuiver zijn; wast mij te recht daarmee,
        En ik zal wezen rein, tot Uwen roem en ere,
        Ja ik zal witter zijn als d’allerwitste sneeuw.

        6. Ik zal mij in Uw bloed vertroosten en verblijden,
        O Jezus, en ik zal mijn ganse leven lank,
        Mij, van Uw bloed onrein te achten, mijden; (Hebr. 10:29)
        ‘k Zal metterdaad daarvoor bewijzen lof en dank.

        7. U, Jezus, die ons hebt zo liefgehad alt’samen, (Op. 1:5,6)
        En ons van onze zond’ gewassen in Uw bloed,
        U zij de eer en kracht in allen eeuwen. Amen. (Op. 1:7)
        Ja amen; ‘t zij alzo gelijk het wezen moet.

        Ds. W. Sluiter (1627-1673)

        Christus’ lijden in ‘t Hof

        Te zingen op de melodie van Psalm 2.

        1. O ziel! Met ‘t pak der zonden zwaar belaân,
        Gedenkt met aandacht ‘s Heilands bitter lijden!
        Ziet Hem als Borge in uw plaatse staan.
        Belast met smart, om u van schuld te vrijden.
        O Jezus! Om Uw lijden recht t’ aanschouwen,
        Geef Uwen Geest, Die mijnen geest verlicht;
        Dat ik op U met een need’rig vertrouwen
        O mijn Gekruiste! Hecht mijn zielsgezicht.

        2. Na ‘t Avondmaal gezongen Godes lof,
        Gaat Jezus met de elf naar Cedrons beke,
        Ten lijden, in Gethsémané dat Hof,
        Daar Hij gewend was veel met God te spreken.
        Adam de eerste viel in ‘t Hof van Eden
        Door ‘s satans list, met zijn geheel geslacht;
        Jezus den tweede Adam, heeft vertreden
        Der slangenkop in ‘t Hof, door Zijne kracht.

        3. Ziet hier uw Heiland in de grootste nood.
        Hoort Hem beangst, benauwd, zo droevig klagen,
        Mijn ziel die is geheel bedroefd ter dood!
        Helaas! Hoe zwaar viel Hem dien last te dragen.
        O ziel beschouw dit overgrote lijden,
        Ziet Jezus zo beroerd, verbaasd, bevreesd,
        Der hellen macht komt tegen Hem ten strijde,
        Gods vloek en toorn verschrikte Zijnen geest.

        4. Gij ziet Hem nu zo rood van bloed bezweet!
        Toen Hij de pers van Gods gramschap moest treden,
        Toen Hij der hellen angst en smarten leed,
        In Zijne ziel, en trof ook ‘s lichaams leden.
        Zie daar Uw Heiland vallen neer ter aarde.
        Daar kruipt, daar wringt, daar worstelt Hij in ‘t stof!
        Gelijk een worm vertreden, niets van waarde,
        Dien Heer’ en Koning van het hemels Hof!

        1. Hij riep: Mijn Vader! Kan het niet bestaan
          Met Uw besluit, en heilig welbehagen,
          Dat deze beker Mij voorbij mag gaan?
          Ach kan het zijn, ‘t valt Mij zo zwaar te dragen.
          Doch Vader, niet Mijn wil, maar d’ Uw’ geschiede!
          Moet dit zo zijn, en kan het anders niet.
          Ziet hier ben Ik, Ik zal het niet ontvlieden,
          ‘t Is wel o Vader! Als Uw wil geschiedt.

          6. Een engel Hem in Zijn benauwdheid sterkt,
          Terwijlen de discip’len zorg’loos slapen.
          Als d’ satan tegen Jezus strijdt en werkt,
          Dan op de wacht! Dan is ‘t gebed ons wapen.
          Kondt gij, o ziel, geen uur met Jezus waken?
          Komt de verzoeker aan uw ziel te na,
          Roep: Heiland! Wil mij, slaper, wakker maken;
          Opdat ik waak, en zijnen strik ontga.

          7. Staat op, zeid’ Jezus, laat ons van hier gaan,
          Hij is nabij die Mij nu zal verraden,
          Ziet Judas komt daar met de bende aan;
          Mijn uur is nu, Mijn last is niet t’ ontladen.
          O Jezus! Door Uw liefde aangedreven,
          Tot onz’ behoudenis en zaligheid.
          Gij woudt U willig voor ons overgeven.
          Gij laat U binden, en wordt weggeleid.

          Hendrik Uilenbroek (?-1681)

        Op het lijden van Christus in de Hof van Gethsémané

        (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

         

        1. Roos van Saron! Zoete lelie!

        ‘k Zie U wriem’len in het stof,

        ‘k Zal het zo zien dat ik mee-lij

        Met U in dien droeven hof,

        In den hof is d’ eerste zonde

        Van ons ouders uitgebroed,

        In den hof is d’ eerste wonde

        U geslagen in ‘t gemoed.

         

        2. ‘t Was de plaatse waar d’ olijven

        Eertijds werden uitgeperst,

        Waar dat onzen Jezus blijven

        Moest, en ‘t bloedig zweet uitberst,

        Daar moest Hij de wijnpers treden

        Van Gods toorn en grimmigheid,

        Sidd’ren zie ik al Zijn leden (= ledematen),

        Zijn gezicht met bloed bezweid (= bedekt).

         

        3.  ‘k Zie nu strenge Zondenwreker,

        Dat Gij zettet aan Uw mond

        Den begald’ en bitt’ren beker,

        Die geen mond op aarde vond;

        Beker! die Hem zo benerd (= benauwd) heeft,

        Dat Hij zijgt ter aarde neer!

        Beker! die Hem zo gesmart heeft,

        Dat Hij niets kon lijden meer!

         

        4. ‘k Vind Zijn ziel die in het lijden

        ‘t Lichaam ondersteunen zou,

        Heel bedrukt aan alle zijden

        Zeer bedroefd en vol van rouw;

        Zo geperst door smart van binnen!

        Zo beangst! In zulken nood!

        Dat het niet is te verzinnen,

        Ja geheel bedroefd ter dood!

         

        5. ‘t Zijn mijn zonden die den Heere

        ‘t Bloedzweet hebben uitgeperst,

        Die benauwden Hem zo zere

        Dat Hem ‘t bloed uit d’ aad’ren berst’

        ‘t Zijn mijn zonden die den Heiland

        Dezen drank hadden bereid,

        Dat Hij was benauwd aan all’ kant

        Mijnen vloek op Hem geleid.

         

         

         

        6. Ach wat groter liefde draagt Gij

        Tot den armen zondaar Heer’?

        'k Bid U, zegt mij toch, wat zaagt Gij

        In den mense immermeer,

        Dat U mag hebben bewogen

        Om dit lijden t’ ondergaan?

        ‘t Was alleen Uw groot meedogen

        Daar Gij meed’ waard aangedaan.

         

        7. ‘k Zie nu dat Gij zijt dien goeden

        En hemelsen Pelikaan,

        Die om mij met bloed te voeden

        Uwe borst laat open staan;

        O die bitt’ren angst en bloedzweet!

        Die hel-angst en nare smart!

        Die Gij voor mij in den hof leed

        Tonen Uw genegen hart!

         

        8. Schept nu moed, mijn ziel, in ruste,

        Omdat Hij gedronken heeft

        Dien drank die geen mens en luste,

        Maar aan U het leven geeft,

        ‘k Hoor, dunkt mij, de Heer’ weer noden:

        Komt in Mijnen hof Mijn duif,

        Daar gij van Mij zijt gevloden,

        Drinkt Mijn uitgeperste druif.

         

        9. Die zal uwe ziel versterken

        In amechtigheid en pijn,

        Ja verheuging in u werken,

        En u tot een nectar zijn’

        Komt en eet toch van olijven,

        Met deez’ vrucht uw ziel verzaad,

        Deze zijn het die verdrijven

        Uw venijn en zondig kwaad.

         

        Joannes Kloeck (1641-1714)

        De profetie van het lijden van Christus

        Genomen uit het 53e hoofdstuk van Jesaja

        Te zingen op de melodie van Psalm 65

        1. Wie is ‘t, die ons gehoor zal geven,

        En nemen ons woord waar?

        Wie is, die ’s Heeren arm verheven

        Zal worden openbaar?

        Hij is voor hem klein opgeschoten,

        Gelijk een slechte spruit,

        En als een wortel die gesproten,

        Op ’t dorre land schiet uit.

         

        1. In Hem en was gedaant’ noch wezen,

        Noch gans’lijk genen schijn.

        Wij zagen niets dat mocht geprezen,

        Of ons bevallig zijn.

        Hij was verworpen en versteken,

        En van elkeen gehaat.

        Een ieg’lijk was van Hem geweken,

        Elkeen heeft Hem versmaad.

         

        1. Hij is een man vol smart en kwalen,

        Dat t’ enen (= ten enenmale) schier verleed

        Hij mag er vrij wel van verhalen,

        Als die van lijden weet.

        Wij hebben ons van Hem gekeret

        Met walging en verdriet.

        Zo heellijk werd Hij veroneret;

        Men hield van Hem gans niet.

         

        1. Voorwaar nochtans, Hij heeft gedragen

        Ons krankheid ende kwaal.

        Hij heeft op Zich ons smart en plagen,

        Geladen allemaal.

        Wij meenden, nadat wij Hem zagen,

        Zo soberlijk te pas,

        Dat Hij van Godes hand geslagen,

        En dus gemarteld was.

         

        1. Maar Hij ontving al deze wonden,

        Om onz’ misdaden boos;

        En werd verbroken om onz’ zonden

        En werken goddeloos.

        Hij is tot onze straf verwezen

        Om ons te maken vre(de).

        Zijn striemen hebben ons genezen,

        Mits Hij hield onze vre(de).

         

        1. Wij hebben allemaal gedwalet,

        Als schapen woest en schuw

        Elk heeft den rechten weg gefalet,

        Elk liep al waar hij wou.

        Maar God heeft naar Zijn goed bevallen (= welbehagen),

        Onz’ zond’ op Hem gelegd;

        En d’ overtreding van ons allen,

        Is door Hem opgerecht.

         

        1. Hij wordt gepijnd, gepraamd, genopen (= gedrukt, benauwd),

        Doch zonder Zijne schuld;

        Maar, Hij en doet Zijn mond niet open,

        Maar lijdt het met geduld.

        Als ’t lam dat zonder zich te weren

        Ten slachtbank wordt gevoerd,

        Of ’t schaap dat stom voor die het scheren

        Den mond niet eens en roert.

        1. Hij wordt genomen uit het treuren

        Van dit gericht en kracht (= geweldig gericht)

        Wie zal vertellen zijn lang duren,

        En wonderlijk geslacht?

        Hij was van ’t leven afgehouwen

        Zo ’t scheen tot in den grond;

        Maar deze plaag en dit benauwen,

        Kwam Hem van mijns volks zond’.

         

        1. Men heeft Hem ten graf opgegeven

        In ’s goddelozen macht;

        En door de bozen van het leven,

        Met smart ter dood gebracht.

        Daar Hij nooit iemand en misdede,

        Noch van misdoen en wist.

        Uit Zijnen mond en kwam nooit rede,

        Van arg (= boosheid), bedrog of list.

         

        1. En ’t was nochtans Gods welbehagen,

        Dat Hij gemarteld werd,

        En van des Heeren hand geslagen,

        Met bitter zware smert,

        Maar als Hij Zich zal hebben schuldig

        Gemaakt voor ons misdaad,

        Dan zal Hij zien zeer menigvuldig,

        Opgroeien ’t heilig zaad.

         

        1. Hij zal verlengen Zijne dagen,

        Bevrijd van allen druk;

        En in Zijn hand zal Gods behagen,

        Gedijen met geluk.

        Hij zal Zijns arbeids vrucht genieten,

        Verzaad van Zijnen wens,

        Dies zal Hem gene moeit’ verdrieten,

        Slechts om den heil den mens.

         

        1. Want mijnen dienaar zeer rechtvaardig,

        Veel lieden over al,

        Door Zijns Naams kentenis (= kennis) hoogwaardig,

        Rechtvaardig maken zal.

        Daaromme dat Hij haar misdaden,

        En hare zonden zwaar,

        Als Godes Lam op Hem zal laden,

        En weg doen t’ ene gaar (= in één keer helemaal weg).

         

        1. Dies wil ik Hem met grote heren,

        Den roof doen delen uit;

        En boven ander’ vorsten eren,

        Met treffelijken buit.

        Omdat Hij heeft Zijn bloed vergoten,

        En Zijn ziel niet gespaard,

        Ja is geweest Zelf onverdroten

        Met ’t godd’loos volk gepaard.

         

        1. Daardoor Hij ook de schuld misdadig,

        Van vele mensen heeft

        Op Hem genomen zeer genadig,

        Die God haar nu vergeeft.

        Te meer dat Hij de goddelozen

        Nog dagelijks verbidt (= voorbidden);

        En aan Gods zijde voor de bozen

        Als Tussenspreker zit.

         

        Philips van Marnix van Sint Aldegonde (1540-1598)

        Als men naar de kerk zal gaan

        2 verzen voor 1 gezongen op de melodie van Psalm 138

        1. Ik heb de woning van Uw huis

        Van ganser harte lief, o Heere,

        De plaats, daar Gij, zo rein en kuis,

        Uw heil’ge tent beglanst met ere.

         

        1. Hoe zoet, o Heere Zebaoth,

        Zijn Uwe woningen te achten!

        Mijn ziele jankt, o lieve God,

        Mijn hart en vlees bezwijkt van ’t wachten.

         

        1. Gelijk een herte, moe gejaagd,

        Schreeuwt naar de verse waterstromen,

        Zo schreeuwt mijn ziel, met grote graagt’,

        Om voor Uw aangezicht te komen.

         

        1. Wanneer wij tot Uw huis ingaan,

        Laat ons bewaren onze voeten,

        Met vrees en aandacht overslaan,

        Dat wij geen mens, maar U, ontmoeten.

         

        1. Geleid ons door Uw Geest nu heen,

        Die met onsprekelijke zuchten,

        Hartgrond’ge smeking en gebeên,

        Al ’t aards bedenken weg doe vluchten.

         

        1. Laat tussen U, Heer’, en Uw volk,

        De zonden gene scheiding maken;

        Bedek U zo niet met een wolk,

        Dat geen gebed daar door zou raken.

         

        1. Maar neem ze weg zo gans en gaar,

        Dat z’ ook niet weer tevoorschijn komen,

        Door Christus onze Middelaar,

        Die z’ heeft van ons op Zich genomen.

        1. Verheugt ons in Uw beed’huis t’saam,

        En laat daar al de offeranden

        Der trouwe minnaars van Uw Naam

        Behaaglijk zijn en lieflijk branden.

         

        1. Ons’ geest’lijk Offer allegaar

        Zult Gij om Zijnentwil aanschouwen,

        Die Priester, Offer, en Altaar,

        En ’t steunsel is van ons vertrouwen.

         

        1. Den dienaar, die uit Christus Naam,

        Als Zijn gezant, tot ons zal spreken,

        Ach, maak die in zijn dienst bekwaam.

        Uw hand zij sterk op hem in ’t spreken.

         

        1. Ja, opent Gij hem Zelf den mond,

        En geef daar in Uw eigen reden,

        Dat hij vrijmoedig ons verkond’

        Uw heilige verborgenheden.

         

        1. Verwek, en trek, en open, Heer’,

        Tezaâm’ onz’ harten en onz’ oren,

        Opdat wij uit zijn mond Uw leer

        Met smaak en met vermaak aanhoren.

         

        1. Doch laat ons ook ’t gepreekte Woord

        In een goed eerlijk hart bewaren,

        Zodat de vruchten voort en voort

        Haar menigvuldig openbaren.

         

        1. Dan zullen Uw weldadigheid

        En ’t goede vast aan ons beklijven.

        Wij zullen, daar men nimmer scheid,

        Hierboven in Uw huis eens blijven.

         

        Ds. W. Sluiter (1627-1673)

        Trek mij, wij zullen U nalopen

        Hooglied 1:4

         

        (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

        1. Liefste Jezus, heil en leven,

        Sterke God, Emmanuel,

        Wil mij levenskrachten geven,

        Dat mijn gang en voeten snel

        Lopen voort, gelijk der hinden,

        Naar U heen, mijn Zielsbeminde,

        Op de weg door U bereid

        Van geloof en, van geloof en

        Van geloof en heiligheid.

         

        2. Och, waar zou ik henen vluchten

        In mijn machteloze stand,

        Die niet bidden kan of zuchten

        Zonder trekking van Uw hand.

        ’k Heb geen licht, noch ziele-ogen,

        Noch begeerte of vermogen.

        ’k Kan mijn harte, Godes Zoon,

        Niet verheffen, niet verheffen,

        Niet verheffen tot Uw troon.

         

        3. Och, mijn voeten zijn gebonden

        Aan de aarde, en mijn hart

        Is vol ongeloof en zonde,

        En zit overal verward.

        Vele dingen, ach, bezwaren ‘t,

        Anders vloog ik als een arend;

        Was mijn ziel eens los en vrij,

        Daar ik nu ge-, daar ik nu ge-,

        Daar ik nu gebonden zij.

         

        4. Loop ik somtijds als een hinde,

        Voor een kleine ogenblik,

        ’s Zal welhaast weer ondervinden,

        Dat mijn hart zit in de strik

        Van de wereld en de zonde

        En van veel verdorven vonden’

        Des mijn geest ellendig is,

        Als ik Uwe, als ik Uwe,

        Als ik Uwe trekking mis.

         

        5. Trek mij dan door liefdebanden,

        Goede Jezus, naar U toe.

        Laat mijn hart in ijver branden,

        Dan word ik de weg niet moe.

        Schenk mijn ziele licht en leven,

        Wil mij Geestes trekking geven,

        Dat ik lopen mag gestaag,

        Zonder moede, zonder moede,

        Zonder moede zijn of traag.

        6. ‘k Zie met smart gehele hopen,

        En met ijver in hun doen,

        Arme wereldlingen, lopen,

        En ik kan niet henen spoên.

        ’k Zie met schaamt’ dat vele vromen

        Mij vooruit tot Sion komen,

        En zij raken mij uit ‘t oog.

        Goede Jezus, goede Jezus,

        Goede Jezus, ach, gedoog

         

        7. Niet dat ik, die tot Uw leden

        En Uw schapen ook behoor,

        Al Uw volk vooruit zie treden.

        Trek en werk krachtdadig door

        In mij al Uw welbehagen,

        Wil mijn ziele onderschragen.

        Och, dat ik Uw beeld en leer

        Mocht vertonen, mocht vertonen,

        Mocht vertonen, t’ Uwer eer.

         

        8. Al mijn licht en zielekrachten, 

        Zijn in U, o Levensvorst.

        Leer mij maar gelovig wachten,

        En met sterke zieledorst

        En verlangen aan U kleven,

        Door ‘t gelove in U leven’

        Geef mijn ziele heilig werk.

        Maak mij in ‘t ge-, maak mij in ‘t ge-,

        Maak mij in ‘t gelove sterk.

         

        9. Stort Uw liefde in mijn harte,

        Sterk het altijd met gena.

        Laat dan komen kruis en smarte,

        ’k Weet dat ik gemoedigd ga.

        Met U loop ik door een bende’

        ’k Vrees geen werk, noch geen ellende,

        Uw genade is altijd,

        Mij genoeg tot, mij genoeg tot,

        Mij genoeg tot heerlijkheid.


        10. Nu, Gij zult ‘t voor mij volenden

        En Uw goedertierenheid,

        Zult gij nooit van mij afwenden,

        Want die duurt in eeuwigheid.

        Wil mij dan gedurig leiden,

        Tot de dood mij doen verscheiden.

        Laat niet varen immermeer,

        Uwer handen, Uwer handen,

        Uwer handen werk, o Heer’.

         

        Ds. J. Groenewegen (1709-1764)

         

        Liefde van Gods volk

        1. Wat is de liefde zoet van al Gods lievelingen,

        Waar meed’ zij hart in hart, heel in malkander dringen;

        Het is een brand en gloed, die ’t vuur te boven gaat,

        Wanneer ’t eerst heeft gevat, dat niet te blussen staat.

         

        1. Wie kan ’t behoorlijk schoon van Jezus’ bruid ontdekken,

        Dat pronkjuweel van glans; en dan zijn hart onttrekken,

        Van niet in liefdevlam te gloeien in zijn borst;

        Die niet met volle gloed naar haar gezelschap dorst.

         

        1. Geen wonder! Want de liefd’ van Jezus uitverkoren,

        Wordt door de liefd’ van Hem heel nieuw in haar geboren,

        En strengelt zich ineen door d’ allerzoetste band,

        Die haren Jezus Zelf houdt t’zamen in Zijn hand.

         

        1. Dus zijn zij één in Hem, en ook met al Zijn leden,

        Verbonden door de liefd’ en zoete lieflijkheden

        Van haar bekoorlijkheid, en ieder in ’t gemeen,

        Wil liefde tot die liefd’, en zoeten band besteên.

         

        1. De liefde maakt haar vol, de liefde maakt haar dronken,

        Wanneer de liefdevlam komt in haar ziel ontzonken;

        O wonderbare liefd’! die geen natuurling kent,

        Terwijl hij aan den draf der wereld is gewend.

         

        1. Hoe schoon is Jezus’ bruid, door Zijne heerlijkheden!

        In Ofirs fijnste goud, van Zijne waardigheden;

        Hoe sierlijk blinkt zij uit in staat een koningin,

        Schoon arm, doch in haarzelf een edele vorstin.

         

        1. Haar aard door nieuw geboort’ gelijkt naar hemelingen,

        Het allerzoetste zoet, komt uit haar ogen springen,

        Van liefde vloeit haar mond, vol van bekoorlijkheid,

        En Jezus Zijne liefd’, door al haar leden spreid.

         

        1. O! mocht mijn ziel in liefd’, maar smelten aan haar voeten.

        Mocht dit mijn treurig hart, zijn ongeval verzoeten.

        Mocht dit een blijkje zijn, liefd’, zonder vleselijkheid,

        En dat genaad’ in ’t hart door Jezus was geleid.

        1. Hiertegen woelt de hel, en wil mij doen bezinnen,

        Dat ik niet Jezus’ bruid, maar ’t eigen zelfs (=zichzelf) wil minnen;

        Om dat gelijke liefd’, niet al de leden treft,

        Maar, meer of min, de één, als ’t ander lid verheft.

         

        1. Schoon ik zij alle lief(heb), zo is niet allerwegen

        Gelijke groot Gods Beeld. Maar zegt mijn hart hiertegen

        Hieronder schuilt het vlees, met zijn bekoorlijkheên

        En ’t zondig hart dat mint, niet alle Jezus’ leên (leden).

         

        1. O! Heer’ vergeef mij dit, en doe mijn ziele blaken

        In zuiver liefdegloed, tot allen die U raken;

        Schoon dat mijn vlees mij leert, aan die te zijn gepaard,

        Die zoals ik geneigd, gaan vleien mijnen aard.

         

        1. Laat gloeien rechte liefd’, tot al Gods uitverkoren,

        Naarmate van Uw Beeld, dat in haar is geboren;

        Gelijk als Jezus deed, die drie uit ’t elf getal,

        En weder één, uit drie, ging minnen boven al.

         

        1. Maar zegt ’t arglistig hart gij hebt zoveel afgoden

        Als schepselliefde u, tot liefd’ en min uit noden;

        Als ’t schepsel om zichzelf, en niet om Jezus min (=liefde),

        Gemind wordt, waarlijk Heer’, vergeef, het leid erin.

         

        1. Maar ’t is een helse list, die ook de min wil schenden

        Van Jezus dierbaar volk, om harten af te wenden.

        Ja menigmaal doen vroed (=bevroeden), dat ’t schepsels liefde wis

        Veel groter dan de liefd’ tot haren Jezus is.

         

        1. O! laat de liefde dan, ons in den hemel meng’len

        Aan Jezus en Zijn volk, en uitverkoren eng’len

        Voor eeuwig zonder smet, aan d’ algenoegzaam’ Heer’,

        Te zijn, te blijven dan, om nooit te scheiden meer.

         

        Ds. J. Verschuir (1680-1737)

        Kindermoord te Bethlehem

        Matth. 2:16, 17, 18.

        Te zingen op de melodie van Psalm 12 of Psalm 110.

        1. Wat nieuws mag nu Herodes toch aanvaarden,

        Dat onvoorziens zijn krijgsliên komen aan,

        Dus toegerust met spiesen, schilden, zwaarden?

        Wie mag hij toch gedenken te verslaan?

         

        1. ’t Schijnt of hij wil d’ Arabiërs bekrijgen,

        Of anders iets bij zich besloten heeft,

        Hetwelk hij wil bedekken en verzwijgen,

        Totdat de daad daarvan getuig’nis geeft.

         

        1. Zij komen recht naar Bethlehem toe trekken,

        Alsof men ’t zou vernielen in den grond!

        Wil hij dan in zijn land weer krijg verwekken?

        Wel, dit is vreemd en tegen zijn verbond.

         

        1. Ach! ach! het gaat nog buiten ons vermoeden,

        Zij vallen op de kleine kind’ren aan;

        De moeder zoekt haar zuigeling te hoeden,

        Maar tevergeefs is al haar tegenstaan.

         

        1. Men rukt het kind bloeddorstig uit haar armen,

        Of doodt het daar het aan haar borsten lag;

        Men hoort niet naar het moederlijke karmen,

        Dit vuil gespuis en let op geen geklag.

         

        1. Ja, schoon hun ook met vriendelijke ogen

        ’t Onnozel schaap een zoete lach aanbied,

        Men wordt hier niet verwekt tot mededogen;

        ’t Zij stuurs of zoet gezicht, men acht het niet.

         

        1. Men mag niet één van al de kind’ren sparen

        Te Bethlehem en in deszelven land,

        Van allen die omtrent zijn van twee jaren;

        Geen knechtje mag ontgaan des moorders hand.

         

        1. Hier ziet m’ er één weggrijpen bij de benen,

        Daar wordt er één doorstoken met het zwaard,

        Hier wordt er één verpletterd op de stenen,

        Daar stroomt en rookt het verse bloed op d’ aard.

         

        1. Ach, dood toch mij, doorsteekt mij, roept de moeder,

        Wat heeft mijn kind, ’t onschuldig lam, gedaan?

        Dit helpt al niet: te doller en verwoeder

        Volharden zij deez’ spruitjes te verslaan.

        1. Door ’t schreeuwen, dat de moeders laten horen,

        Wordt nu vervult en in der daad beleeft

        Het woord, dat God zo lange van tevoren                        Jer. 31:15

        Door Zijn profeet tot ons gesproken heeft.

         

        1. In Rama is veel kermen, klagen, stenen,

        En ene stem gehoord vol druk en pijn;

        Heel troosteloos is Rachel in het wenen,

        Omdat niet meer haar kinderen en zijn.

         

        1. Gij bloedtiran, wat moogt gij toch beginnen,

        Dat gij aldus uitzinnig tiert en raast?

        God laat Zich door geen mensen kracht verwinnen;                      Uw nietig doen zal blijken in der haast.                     2 Kron. 14:11

         

        1. ’t Kind, dat gij zoekt, en vreest het Hoofd te wezen

        Van duizend die gij doodt om Zijnentwil,

        Ontkomt uw hand, en ’t heeft u niet te vrezen,  Matth. 2:13,14,15

        ’t Ligt in den schoot Zijns moeders zacht en stil.

         

        1. Zijn rijk, daar gij niet meed’ en hebt te schaffen,    Joh. 18:36

        Zal ’t houden door Zijn sterke rechterhand;             Luk. 1:33, etc.

        Maar God zal dit uw duivels woeden straffen,              1 Kor. 15:25

        Ja stellen u ten toon voor ’t ganse land.

         

        1. Het zal voortaan geen lange jaren duren,          Matth. 2:19,20

        Gij zult de vrucht van uw bloeddorstigheid

        Ja Godes en der mensen vloek bezuren;                Ps. 10:9,16,17,18

        Gods wrake komt, hoewel ’s een weinig beidt.           Deut. 32:35

         

        1. Geluk en heil, gij tere zuigelingen,

        Heil en geluk, onnooz’le kinderschaar!

        Gij zult nu met den eng’len lief’lijk zingen,              Openb. 5:11,12

        En vrolijk zijn in eeuwigheid met haar.

         

        1. Als lammetjes zijt gij gebracht om ’t leven,              Rom. 8:36

        Dies zult gij ’t Lam ook volgen waar het gaat.           Openb. 14:4

        God zal om uw bebloedde leedjes (=ledematen) geven 

        Het zuiver wit zeeg’pralende gewaad.                     Openb. 7:13,14

         

        1. God wou Zijn lof uit uwen mond bereiden,                     Ps. 8:3

        Dies, als gij waard in jaren veel te jong

        Om Christus’ Naam met woorden te verbreiden,

        Getuigd’ uw bloed in plaatse van de tong.

         

        Ds. W. Sluiter (1627-1673)

         

        Geestelijk winterlied

        Hij geeft sneeuw als wol, Hij strooit den rijm als as. Hij werpt Zijn ijs heen als stukken: wie zoude bestaan voor Zijn koude?

        Psalm 147:16, 17.

         

        (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

         

        1. De grote God! heeft deze wet,

        Voor lent', en oogst, voor hitt’ en koude,

        Voor dag en nacht, zo vastgezet,

        Om tot het eind’ te onderhouden.

         

        1. De zon nu van ons afgegaan,

        Maakt lange nachten, korte dagen,

        Het plantgewas moet stille staan,

        Voor al de gure wintervlagen.

         

        1. De koude lucht, en scherpe wind,

        Doen ’t vloeiend water zo verstijven,

        Dat men betreden paden vindt,

        Op ’t dunne vocht, daar stromen drijven.

         

        1. De witte sneeuw bedekt het veld,

        Dat groen en lieflijk placht te wezen,

        Ja mens en beesten zijn versteld,

        En wachten op een ander wezen.

         

        1. Hoe is ’t met u, o ziel! gesteld?

        Die door de liefde placht te blozen!

        Mij dunkt dat u de koude knelt,

        Uw kracht en geest, schijnt ook bevrozen.

         

        1. Och ja! ik ben van kou zo stijf,

        Het innig vuur is mij ontweken,

        Die koude dringt door ziel en lijf,

        Mijn krachten zijn bijna bezweken.

         

        1. Mijn ziele is zeer dor en dood,

        Ach! onbekwaam tot goede vruchten!

        Van leven, lust en kracht, zo bloot.

        Dat doet mij dikwijls innig zuchten.

        1. O Vader! Die mij hebt gemaakt,

        Komt toch mijn harte weer verwekken,

        Als Uwe Geest mijn ziele raakt,

        Dan zal mijn liefde tot U strekken.

         

        1. O Zonne der gerechtigheid!

        Ai, wijkt van mij ook nu niet verder,

        Mijn ziel wordt door Uw Licht geleid

        Op mijnen weg, o trouwe Herder.

         

        1. O Hemelslicht! Dat nederkwam,

        Om in de zielen te ontsteken,

        Een wederstraal, een liefdevlam,

        Om alle duisternis te breken.

         

        1. Geeft lust en kracht in mijne ziel,

        Dat Uwen Geest, mijn geest verwarme,

        Die schier verkleumt, in flauwte viel,

        Ach, wilt U over mij ontfermen.

         

        1. Uw liefde zij een krachtig vuur!

        Dat koud’ en lauwt’ in mij vertere,

        Dan heeft mijn wederliefd’ haar duur,

        En brand in ijver, voor U Heere!

         

        13. Dan zal ik U met vurigheid,

        Vereren in mijn ganse leven.

        Mijn hart, en mond zal zijn bereid,

        U eeuwig lof en prijs te geven.

         

        Hendrik Uilenbroek (?-1681)

        Nieuwjaarslied

        (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

        1. Ik wil met zingen Gods lof vermêren,

        En vrolijk zijn in ’t nieuwe jaar.

        Weg ijd’le dingen gij moet passeren,

        Den lof is voor mijn Middelaar,

        Dat is Gods Zoon, den sterkste Held der helden,

        Die heel kan vernielen satans grote macht

        Dies wil ik nu Zijn waarde lof vermelden,

        De vreugd mijner ziele brengen aan den dag,

        Lof schoonste Schoon, lof enig Middelaar,

        Lof Godes Zoon, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

         

        1. Al mijn gedachten zijn opgetogen

        Om Godes lof te roepen uit,

        Helaas! mijn krachten niet veel vermogen,

        Dies roep ik met een zwak geluid

        Lof, grote God! Gij werd Mens geboren,

        En komt hier tevoren gelijk een Kind.

        Die duivels macht ten volle kan verstoren,

        Men arm, behoeftig, in doeken windt.

        Helaas! om ons, o Liefde wonderbaar.

        Lof Godes Zoon, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

         

        1. Nu is verschenen de Morgensterre,

        Dit schoonste Licht nu heer’lijk schijnt,

        Dit zag voorhenen Abraham van verre,

        De nare nacht daardoor verdwijnt.

        Dit groot geluk is ons nu toegekomen,

        Looft nu al gij vromen uwen Bruidegom,

        Hij heeft uw druk en last op Zich genomen,

        Ach! en wilt niet schromen, heet Hem wellekom:

        Weest wellekom, o! lieve Middelaar:

        Lof Godes Zoon, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

        1. Troost u hiermede, dat Godes Zone,

        O! bruid Sion, u acht zo waard,

        Dat Hij u gunstig gaat bekronen,

        En voor rechtvaardig u verklaard:

        In vaste trouw’ wil Hij met u verenen,

        En u voort verlenen mee Zijn heerlijkheid,

        Geeft eeuwig vreugde in plaats van wenen,

        En ’t Hoofd van Uw leden zijn in eeuwigheid:

        Dus waarde bruid, Gods uitverkoren schaar’,

        Zingt Godes lof, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

         

        1. Kant u gerustig tegen de zonde,

        Strijd als een held een korte tijd,

        Wordt niet onlustig al krijgt gij wonden,

        Gij houdt het veld, en wint den strijd:

        Uw Middelaar wil stadig bij u blijven,

        En u gunstig stijven met Zijn Heil’gen Geest,

        En tot Zijn eer al ’t kwaad van u verdrijven,

        En ’t is Zijn believen, dat gij niet en vreest,

        Dus dankbaar zijt uw lieve Middelaar:

        Lof Godes Zoon, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

         

        Claes Jacobsz Wits (1599-1669)

        Hoe de herders Christus hebben gezocht en gevonden

        Te zingen op de melodie van Psalm 24

        1. Zo haast deez’ tijding was gebracht

        Aan d’ herders in de nare nacht,

        Dat de Messias was geboren,

        Gelijk God Die waarachtig is,

        Wiens Woord niet leugenachtig is,

        Hun ook voorzegd had lang tevoren.

         

        1. Zo hebben zij dit nieuw’ bescheid

        Met vlees en bloed niet overleid,

        Maar door ’t gelove aangenomen,

        En hebben alles laten staan,

        En zijn aanstonds zo heen gegaan,

        Om bij het Kindeke te komen.

         

        1. Ach dat ik ook zo willig was,

        Zo vaardig, ijverig, en ras,

        Om Uwe wil in ’t werk te stellen.

        Dat, als ik maar het minste woord

        Van U ontvang, ik dat ook voort

        Vaardig betracht en nooit uitstelle.

         

        1. Laat vlees en bloed verloochend zijn,

        Hetwelk mij onder zoete schijn

        Gaarn’ ongehoorzaam maken zoude.

        Maak dat ik altijd willig zij,

        Al te verlaten ’t gene mij

        Van deze Jezus zoekt te houden.

         

        1. Op, op dan nu mijn trage ziel.

        Volg deze herders op de hiel,

        Zoek Jezus toch, uwe Beminde,

        Zoek Jezus in Zijn Heilig Woord,

        Ook waar men Zijne woorden hoort,

        Bij d’ hemelingen zult g’ Hem vinden.

         

        1. Komt vrienden, laat ons samen gaan,

        De een porre de ander aan,

        Wilt Hem elkander toch aanwijzen;

        Wie deze Jezus ’t eerste vindt,

        Die zal dan ook dit zoete Kind

        Daarna aan anderen weer wijzen.

         

        1. De herders hebben Hem gezocht,

        En werden eindelijk gebrocht

        Bij Jezus; z’ hebben Hem gevonden

        Niet kost’lijk opgetooid, maar slecht,

        Bij het vee in een krib gelegd,

        In arme doeken opgewonden.

         

        1. Die door Zijn kracht de hemel draagt,

        Op Wiens woord (dat) het alles waagt,

        Ligt bij ’t onreedlijk vee verschoven.

        De mens verstoot Hem in een stal,

        Nochtans een overgroot getal

        Van ’s hemels heir dat moet Hem loven.

        1. Van Zijn geboort’ was Hij versmaad

        En zonder glans was Zijn gelaat

        Verschoven in Zijn eerste dagen.

        Hij heeft de schand’ en smaad veracht,

        En ons daardoor ter eer gebracht,

        Dit heeft Hem die doen willig dragen.

         

        1. Helaas, hoe dikwijls ziet men toch

        Dat Jezus in Zijn leven nog

        Veracht, verstoten wordt, verschoven?

        Wie Christus’ beeld hier dragen wil,

        Die moet zijn kruis opnemen stil,

        En door die weg zo gaan naar boven.

         

        1. De herders waren al meteen

        Als opgetogen, in hetgeen

        Zij zagen, en de eng’len zeiden:

        En hebben overal, alwaar

        Zij kwamen, deze blijde maar’

        Verkondigd en willen verspreiden.

         

        1. Waar Jezus in het harte woont

        En Zich met Zijn gena vertoont,

        Daar moet de tong ook van Hem spreken.

        Het hart dat is zo vol daarvan,

        Dat het zich niet inhouden kan,

        Het moet dan ook ter mond uitbreken.

         

        1. Ach Heer’, dat Gij in mijnen mond

        Ook Niets dan deze Jezus vond,

        Maar kwade reên mochten geweerd zijn.

        Dat steeds Zijn Naam door mij vermeld,

        En Zijne lof van mij verteld,

        Door mijne tonge mocht vereerd zijn.

         

        1. Nadat dit alles was gedaan,

        Zijn d’ herders weer naar huis gegaan,

        En gaven Gode lof en ere.

        Zij waren uitermate zeer

        In deze nieuw-geboren Heer’

        Verheugd, vol vreugd zij wederkeren.

         

        1. Gij hebt, mijn ziel, nu ook het woord

        Van Christus’ heilzame geboort’

        Gehoord, het is u ook verkondigd.

        Juich nu met vreugderijke stem,

        Met tong en mond, verheerlijk Hem,

        Ziet toe dat gij u niet bezondigt.

         

        1. Ere zij God in ’s hemels troon,

        God Vader, Heil’ge Geest en Zoon,

        Zij steeds met hart en tong geprezen.

        Hem zij lof, prijs en heerlijkheid;

        Van eeuwigheid tot eeuwigheid

        Moet Hij van mij verheerlijkt wezen.

         

        Johannes Cloeck 1641-1714

        Vreugdegezang op de geboorte van Christus

        Te zingen op de melodie van Psalm 89

        1. O, langgewenste dag, o vreugderijke tijd.

        Waarin zich ’t Christenvolk met reden zeer verblijdt.

        Wanneer des hemels bood’ die tijdinge deed horen:

        De Zaligmaker is op heden u geboren!

        Te Beth’lem in een stal wordt uwe Heer’ gevonden.

        Daar ligt ’t klein-grote Kind in doeken omgewonden.

         

        1. O wonder Gods, o groot geheim der zaligheid!

        Hier ziet men saâm armoed’, ootmoed en majesteit.

        God is een mens! en komt bij ons in ’t vlees verkeren.

        Gods eengeboren Zoon! Die zelfs de eng’len eren,

        Vernedert Zich tot knecht en wil aan ’t kruise sterven

        Om voor zondaars genâ bij Gode te verwerven.

         

        1. Hoe heerlijk daalt en straalt de heil’ge hemelschaar

        Die zingt Gods lof en maakt Zijn wond’ren openbaar.

        God zij de eer, in d’ hoogste heel, was haar tale;

        Dat Zijnen gunst in vreê op aarde nederdale.

        Hij neme in de mens een gunstig welbehagen!

        Om deze Middelaar! Die alle schuld zal dragen.

        1. O Jezus, Vredevorst! Dat toch Uw vrede daal’

        Op ons, van God vervreemd, dat z’ in ons harte straal’!

        Maak met de Hemel vreê, dat vijandschap verdwijne;

        Doe vrede overal en zaligheid verschijnen.

        Aan ons ontrust gemoed wil Uwe vrede geven,

        Dat wij eendrachtelijk als Vredeskind’ren leven.

         

        1. O, ziel! verhef uw toon en zing der eng’len lied.

        Zing Gode eer, nu gij uw Zaligmaker ziet,

        In Wie nu straalt Gods macht, wijsheid, genaad’ en trouwe;

        Goedheid en liefde is in Jezus te beschouwen,

        Rechtvaardigheid, gepaard met Gods barmhartigheden,

        Laat zijn de stof van vreugd en van uw lof op heden.

         

        Hendrik Uilenbroek (?-1681)

        Krankenbezoeker te Amsterdam

        Van des Zoons Goddelijke natuur, door Zijns Vaders eeuwige generatie

        Te zingen op de melodie van Psalm 111

        1. O Jezus! Ach! Uw Naam en roem,

        Is wonderlijk, als ik U noem,

        Voor al de heuvelen geboren.

        Gij zijt des Vaders een’ge Zoon,

        Die ’t wordt gegund voor Zijnen troon

        In zuiv’re liefdevlam te gloren.

          1. Ach! Neem mij ook als Vader aan,

          En doe mij met Uw kind’ren gaan

          Met eerbied tot Uw opperwoning.

          Dat ik U met een diep ontzag,

          Eerbiedigen, en vrezen mag,

          O heerlijk en ontzaglijk’ Koning.

          Van des Middelaars menselijke natuur, door de ontvangenis van de Heilige Geest en de geboorte uit Maria

          1. Maakt Gij, o Jezus! dat zich d’ aard’

          Zo gunstig met den hemel paart,

          Door Uw geboorte hier beneden?

          Daar Gij in diepe need’righeid,

          In kribb’ en stal wordt neergeleid,

          Van ’t goddeloze gros vertreden.

            1. Maar Jezus! Ach! Wat baat het mij,

            Of Uw geboort’ op aarde zij,

            Als G’ in mijn hart niet wordt geboren?

            Kom dan, o Heiland, in mij woon,

            En maak mijn hart U tot een troon,

            Dat ik mag U gans toebehoren.

            Van des Middelaars Namen Jezus Christus

            1. O, Zaligmaker, maak mij vrij

            Van zonden, en de slavernij

            Des satans, die mij wil verslinden.

            Ach! schenk mij ook Uw hoogste goed

            Dat Gij aan al Uw erfvolk doet

            Voor eeuwig in den hemel vinden.

            1. Zalf mij met Uwen Heil’gen Geest,

            Opdat Gij recht van ij gevreesd,

            Gehoorzaamd zijn moogt, en geheiligd.

            Verwerf mij Uw genaad’ en kracht,

            Dat ik op ’t rechte spoor gebracht

            Mag zijn, en eeuwiglijk beveiligd.

             

            Ds. W. Schortinghuis (1700-1750)

            Maria zwanger zijnde van onze Zaligmaker, en Elisabeth zwanger van Johannes de Doper, begroeten elkaar.

            Lukas 1:39-56

            (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

            1. Nadat Maria, zonder man,

            Door d’ Heil’ge Geest was zwanger,

            Zij zulk een vreugde niet en kan

            Bij haar verbergen langer;

            Maar de genaderijke maagd,

            Die in haar buik Gods Zone draagt,

            Bedenkend’ hoe haar nichte

            Elisabeth ook was bevrucht,

            Wenst met een aangenaam gezucht,

            Te zien haar aangezichte.

             

            1. Zij reist, en geeft in dit geval

            Haar zwakheid geen verschoning,

            Maar komt haast over berg en dal

            Tot Zacharias woning,

            Daar haar Elisabeth ontmoet,

            Die zij met een gelukwens groet.

            Ziet hier Gods wonderwerken,

            Hoe een bevruchte maagdom kom

            Tot een bevruchten ouderdom!

            Wie kan ’t genoeg aanmerken?

             

            1. Twee wereldswond’ren komen hier

            Elkander lieflijk tegen,

            Verkondigen, door Gods bestier,

            D’ een d’ ander heil en zegen

            In zulk een gelukzaligheid,

            Die z’ onderling genieten beid’;

            Hier komen bij elkander

            Twee wond’re moeders tegelijk,

            Hoewel in velen ongelijk

            Ook d’ ene zij bij d’ ander.

             

            1. D’ één moeder is een zuiv’re maagd,

            Daarbij nog jong van jaren;

            Maar d’ ander vrouw, en oud-bedaagd;

            D’ één zal den dienstknecht baren;

            Maar d’ ander heeft een groter eer,

            En is de moeder van den Heer’.

            De kinderkens zijn mede

            Gans wonderbaarlijk beidegaar (= allebei),

            Hoewel nooit ongelijker paar

            Gezien is hier beneden.

             

            1. ’t Een is maar mens, besmet met slijk

            Der algemene zonden;

            Maar ’t ander Mens, doch tegelijk

            Waarachtig God bevonden,

            En zonder alle zonde gans;

            D’ Één lichtend’ als een kaars in glans;

            Maar d’ ander als de Zonne;

            D’ Één Koning; d’ ander Zijn gezant;

            D’ Één ’t waar Lam Gods; en d’ ander d’ hand

            Die ’t wijst met vreugd en wonne (= winst).

            1. Elisabeth groet niet zo snel

            Haar zegenrijke nichte,

            Als hare vrucht of kind’ken wel

            Zijn plicht alhier verrichte,

            Dat, buiten het gemeen gebruik,

            Van vreugden opspringt in haar buik,

            Door d’ Heil’gen Geest bewogen,

            Als tonend’, hoe het haast vernam,

            Dat zijn Verlosser tot hem kwam

            Met Goddelijk vermogen.

             

            1. Dien ’t met deez’ ongemene vreugd

            Voor d’ eerste maal is groetend’,

            Gelijk een speelknecht zich verheugd

            Zijn bruidegom ontmoetend’;

            Ja in zijns moeders lijf begint

            Hij te verkond’gen ’t zelve Kind,

            Daar hij in de woestijne,

            Volwassen zijnd’, heel vele van

            Zal spreken tot een ieder man,

            Opdat Zijn licht hen schijne.

             

            1. Elisabeth verheft hierom

            Haar groot geluk en ere,

            Dat haar aldus bezoeken kom

            De moeder van haar Heere.

            Doch d’ heil’ge maagd vol zedigheid

            Haar eigenzelve niet en vleit,

            Maar zingt, met al haar krachten,

            In God haar Heiland zeer verblijd,

            Gods wond’ren, die haar nu ter tijd

            Zijn Geest geeft in gedachten.

             

            1. Zij bleven nog drie maanden t’saam,

            Eer dat ze konden scheiden;

            Hoe lieflijk, zoet en aangenaam

            Moet onder deze beiden

            Daar zijn geweest de t’samenspraak,

            En al haar geest’lijk vermaak,

            Gedurend’ deze dagen!

            Wat Goddelijke liefdebrand!

            Die ieder in haar ingewand

            Al zulke schatten dragen!

             

            Ds. W. Sluiter (1627-1673)

               

              Alzo lief heeft God de wereld gehad

              Johannes 3:16

                1. Komt bondgenoten, juicht den Heer’,

              En zingt met hart en monde;

              Verheft tezaam des Heeren eer

              En wilt Zijn lof verkonden.

              De zaal’ge Oppermajesteit,

              Bekleed met glans en heerlijkheid,

              Die komt alhier beneden,

              En reikt de hand van vrede.

               

              1. Gods eigen Kind en Wonderzoon

              Van eeuwigheid geboren,

              Verlaat Zijn hoge hemeltroon

              En draagt des Vaders toren.

              Hij stort Zijn eigen hartebloed

              En blust daarmee Gods toornegloed,

              Waarvoor de bergen beven,

              Zijn dood is mij het leven.

               

              1. Het heil, waar in de oude dag

              ’t Gelovig volk op rustte,

              Waar Mozes’ schaduwwet op zag,

              Die Zone die zij kusten,

              Die Zich de Vader heeft gesterkt,

              En waar zij door de Geest bewerkt,

              Hun eeuwig heil op bouwden

              En door ’t geloof aanschouwden.

               

              1. De Godheid Die beledigd is,

              O grondeloos ontfarmen,

              Die roept: kom hier, Ik zal gewis

              Met liefde u omarmen.

              Kom hier met al uw schuld belaân,

              Het zal u eeuwig wel vergaan.

              Ik heb voor al uw zonden

              Verzoeninge gevonden.

               

              1. Hier is gerechtigheid en geest,

              Genade, volheid, leven.

              Kom maar vrijmoedig, onbevreesd,

              Wat staat gij zo te beven?

              Kom, geef uzelve maar aan Mij,

              Ik zal u eeuwig maken vrij.

              Kom, wil u op Mij wagen;

              Want dat is ’t welbehagen

              1. Van Hem, die Mij gezonden heeft;

              Dat, die de Zoon aanschouwen

              En zich gelovig overgeeft

              Aan Mij zich toevertrouwen;

              En op die vrij genadevond,

              Zijn ziele waagt en eeuwig grondt;

              Dat die niet zal verderven,

              Maar ’t eeuwig leven erven.

               

              1. Ik wil mij dan niet meer beraân,

              Maar mij daar henen wenden.

              En naar die rijke Jezus gaan

              Met al mijn zielsellenden.

              Ik kom dan, Jezus, onbevreesd,

              Tot Uw gerechtigheid en Geest;

              Laat die mijn ziel genezen

              En ik de Uwe wezen.

               

              1. Ach, kond’ ik met mijn zielsellend’

              Gelovig tot U vluchten.

              Ach, was mijn hart tot U gewend;

              Ach, kond’ ik maar met zuchten

              Mijn klachten storten in Uw schoot.

              En al mijn zielsgebrek en nood,

              Ootmoedig t’ allen dage

              Aan U, mijn Jezus, klagen.

               

              1. Dan zou mijn ziel in d’ open lucht

              Nog adem kunnen halen.

              Mijn hart, verruimd door zo een zucht,

              Zou vrolijk zegepralen.

              Dat klagen van mijn nood en pijn

              Zou balsem voor mijn ziele zijn,

              Genezing van mijn smarten;

              Geef mij die wens mijns harten.

               

              Ds. J. Groenewegen (1709-1764)

              Uit: De lofzangen Israëls

              Christus alles en in allen

              Te zingen op de melodie van Psalm 27

               

              1. O Christus, Die zijt alles en in allen,

              Mijn ziel zal met en in U zijn vernoegd,

              Hoe dat Gij ‘t, naar Uw heilig welgevallen,

              Dan ook met mij en mijne zaken voegt.

              Wanneer ik U alleen maar heb, o Heer’,

              Heb ik genoeg, al had ik ook niet meer;

              Bezwijkt mijn hart en vlees van treurigheid,

              Gij zijt mijn Rots en Deel in eeuwigheid.

               

              1. Wanneer ik U mijn Al in Al kan noemen,

              En hangen vast aan U mijn Al in Al,

              Zo kan ik zelfs in mijn verdrukking roemen,

              En ben goedsmoeds in nood en ongeval;

              Want Gij alleen, Gij zijt, en hebt, en geeft,

              Al ’t geen waarbij de ziele vrolijk leeft;

              En die in U stelt al zijn vreugd en rust,

              Heeft alles naar zijns harten wens en lust.

               

              1. Een ander mag zich smart en onrust maken

              In ’t zoeken naar hetgeen hem meest behaag,

              Met lust en rust zal ik naar U maar haken,

              Als die naar al het ander niet meer vraag.

              De wereld laat ik wellust, schatten, eer,

              Of zo zij nog iets anders weten meer;

              Mijn wellust, schat, en eer zijt Gij alleen,

              Ja Gij mijn Al in Al, en anders geen.

               

              1. Niets kan zo goed, zo zoet of heerlijk wezen,

              Of ’t hoogst’, en eerst, en ’t allerbeste goed

              Moet duizendmaal daarboven zijn geprezen,

              En ’t stilt op ’t best en lieflijkst ons gemoed.

              Mijn Heiland, o mijn Al in Al, hoe is ’t,

              Dat somtijds nog mijn ogen zijn bemist

              Door ’t schim en schuim der wereld, die mij vleit,

              En lokt en tokt met haar begeerlijkheid!

               

              1. Wat zou mij hier op aarde ooit bekoren?

              ’t Is ijdelheid, al schijnt het nog zo groot;

              ’t Vergaat haast en verlaat ons zelfs tevoren,

              Of immers wij verlaten ’t in den dood.

              Mijn God, mijn vreugd, mijn lust, mijn rust, mijn Al,

              Wat is er, dat ik wensen kan of zal,

              ’t Welk Gij alleen mij niet veel beter zijt?

              O! leer mij dit bedenken ’t aller tijd.

               

              1. Laat onderdies veel moeit', en ongelukken,

              Verdriet en kruis, mij vallen op het lijf,

              Ellend’ en veel nooddruftigheid mij drukken,

              Als Gij in mij, en ik in U maar blijf;

              Ja schoon dit al mij treft op ene tijd,

              ’t En is geen kwaad, zo Gij mijn hulp maar zijt,

              Mijn hoogste goed, mijn God, mijn Al in Al,

              Al ging ik ook in ’s doods vervaarlijk dal.

               

                 

                 

                 

                1. ‘k Ben in U groot en hoog van naam en ere,

                Zo ‘k hier veracht en klein ben, of versmaad,

                Gij Zelve zijt mijn liefde, die ‘k begere,

                Zo dat ik mij niet stoor’ aan ’s werelds haat.

                Ik heb aan U mijn liefst en beste Vriend,

                Schoon niemand met mijn vriendschap waar' gediend.

                Gij zijt mijn vreugd, indien men mij bedroeft,

                Mijn Al in Al wat ooit mijn ziel behoeft.

                 

                1. Vervul alleen mijn hart met Uwe zoetheid,

                Zodat ik al mijn wens en hoop maar stell’

                In Uwe gunst, en eindeloze goedheid;

                Zo kan ’t met mij niet anders zijn dan wel.

                Zo mag ik mij met deez’ verzeek’ring voên,

                Dat ’t slimste, dat de wereld ooit zal doen,

                Niet anders kan, dan dat het mij voor U

                Gelukkig maak’, en van het aardse schuw.

                 

                1. Geef, dat ik niet en acht op een’ge dingen,

                Noch voor mijzelf mijn leven dierbaar houd’,

                Om slechts mijn loop met blijdschap te volbringen.

                Ei, lijd niet, dat mijn ijver weer verkoud’;

                Opdat ik zing, in liefdes sterke gloed;

                Dit vuur en blust geen grote watervloed;

                Schoon iemand mij al ’t goed zijns huizes gaf

                Voor deze liefd’, ik sloeg ’t geheellijk af.

                 

                1. Voor die met U gezet is in den hemel,

                En in Uw troon met U te zitten hoopt,

                Is al te slecht Uw laagste voetenschemel (= voetbank),

                Waarvan een dwaas het stof zo zuur beloopt.

                ’t Gelove voert de ziele vaardig op,

                Tot aan, ja ín den hemel, hoog in top,

                Zodat z’, al wat op aarde is en zweeft,

                Voor klein aanziet, en onder voeten heeft.

                 

                1. O Heere, zijt en blijft het Deel mijns erven,

                En onderhoudt, door Uwe kracht, mijn lot,

                Hetzij dan dat ik leef of kom te sterven.

                Zijt mij genoeg, mijn Al-genoegzaam God.

                Gij hebt ons, om met U te zijn, gemaakt,

                Dies is er niets dat mij aan ’t harte raakt,

                Dan Gij alleen en d’ eeuw’ge zaligheid,

                Mij, uit genâ, door ’t waar geloof, bereid.

                 

                1. Mijn God, Gij Die zijt enig en oneindig,

                Wend af mijn oog van ’s werelds ijd’le schijn.

                Die, tegen wil en dank, mij kwelt ellendig,

                Zodat ik op mijzelf verstoord moet zijn.

                Hecht vast mijn hart aan Uwen hemel, Heer’,

                Aan U, Die in den hemel zijt, nog meer;

                Vermits Gij in Uw hemels schoon gewelf

                Zijt al de vreugd, en als een hemel zelf.

                 

                Ds. W. Sluiter (1627-1673)

                 

                Maak jouw eigen website met JouwWeb