Geestelijke gezangen van oudvaders

Wekelijks wordt er op de pagina Weekdiensten een gedicht, of enkele coupletten daarvan, geplaatst.

Op deze pagina kunt u alle gedichten in hun geheel teruglezen.

Kindermoord te Bethlehem

Matth. 2:16, 17, 18.

Te zingen op de melodie van Psalm 12 of Psalm 110.

  1. Wat nieuws mag nu Herodes toch aanvaarden,

Dat onvoorziens zijn krijgsliên komen aan,

Dus toegerust met spiesen, schilden, zwaarden?

Wie mag hij toch gedenken te verslaan?

 

  1. ’t Schijnt of hij wil d’ Arabiërs bekrijgen,

Of anders iets bij zich besloten heeft,

Hetwelk hij wil bedekken en verzwijgen,

Totdat de daad daarvan getuig’nis geeft.

 

  1. Zij komen recht naar Bethlehem toe trekken,

Alsof men ’t zou vernielen in den grond!

Wil hij dan in zijn land weer krijg verwekken?

Wel, dit is vreemd en tegen zijn verbond.

 

  1. Ach! ach! het gaat nog buiten ons vermoeden,

Zij vallen op de kleine kind’ren aan;

De moeder zoekt haar zuigeling te hoeden,

Maar tevergeefs is al haar tegenstaan.

 

  1. Men rukt het kind bloeddorstig uit haar armen,

Of doodt het daar het aan haar borsten lag;

Men hoort niet naar het moederlijke karmen,

Dit vuil gespuis en let op geen geklag.

 

  1. Ja, schoon hun ook met vriendelijke ogen

’t Onnozel schaap een zoete lach aanbied,

Men wordt hier niet verwekt tot mededogen;

’t Zij stuurs of zoet gezicht, men acht het niet.

 

  1. Men mag niet één van al de kind’ren sparen

Te Bethlehem en in deszelven land,

Van allen die omtrent zijn van twee jaren;

Geen knechtje mag ontgaan des moorders hand.

 

  1. Hier ziet m’ er één weggrijpen bij de benen,

Daar wordt er één doorstoken met het zwaard,

Hier wordt er één verpletterd op de stenen,

Daar stroomt en rookt het verse bloed op d’ aard.

 

  1. Ach, dood toch mij, doorsteekt mij, roept de moeder,

Wat heeft mijn kind, ’t onschuldig lam, gedaan?

Dit helpt al niet: te doller en verwoeder

Volharden zij deez’ spruitjes te verslaan.

  1. Door ’t schreeuwen, dat de moeders laten horen,

Wordt nu vervult en in der daad beleeft

Het woord, dat God zo lange van tevoren                        Jer. 31:15

Door Zijn profeet tot ons gesproken heeft.

 

  1. In Rama is veel kermen, klagen, stenen,

En ene stem gehoord vol druk en pijn;

Heel troosteloos is Rachel in het wenen,

Omdat niet meer haar kinderen en zijn.

 

  1. Gij bloedtiran, wat moogt gij toch beginnen,

Dat gij aldus uitzinnig tiert en raast?

God laat Zich door geen mensen kracht verwinnen;                      Uw nietig doen zal blijken in der haast.                     2 Kron. 14:11

 

  1. ’t Kind, dat gij zoekt, en vreest het Hoofd te wezen

Van duizend die gij doodt om Zijnentwil,

Ontkomt uw hand, en ’t heeft u niet te vrezen,  Matth. 2:13,14,15

’t Ligt in den schoot Zijns moeders zacht en stil.

 

  1. Zijn rijk, daar gij niet meed’ en hebt te schaffen,    Joh. 18:36

Zal ’t houden door Zijn sterke rechterhand;             Luk. 1:33, etc.

Maar God zal dit uw duivels woeden straffen,              1 Kor. 15:25

Ja stellen u ten toon voor ’t ganse land.

 

  1. Het zal voortaan geen lange jaren duren,          Matth. 2:19,20

Gij zult de vrucht van uw bloeddorstigheid

Ja Godes en der mensen vloek bezuren;                Ps. 10:9,16,17,18

Gods wrake komt, hoewel ’s een weinig beidt.           Deut. 32:35

 

  1. Geluk en heil, gij tere zuigelingen,

Heil en geluk, onnooz’le kinderschaar!

Gij zult nu met den eng’len lief’lijk zingen,              Openb. 5:11,12

En vrolijk zijn in eeuwigheid met haar.

 

  1. Als lammetjes zijt gij gebracht om ’t leven,              Rom. 8:36

Dies zult gij ’t Lam ook volgen waar het gaat.           Openb. 14:4

God zal om uw bebloedde leedjes (=ledematen) geven 

Het zuiver wit zeeg’pralende gewaad.                     Openb. 7:13,14

 

  1. God wou Zijn lof uit uwen mond bereiden,                     Ps. 8:3

Dies, als gij waard in jaren veel te jong

Om Christus’ Naam met woorden te verbreiden,

Getuigd’ uw bloed in plaatse van de tong.

 

Ds. W. Sluiter (1627-1673)

 

Geestelijk winterlied

Hij geeft sneeuw als wol, Hij strooit den rijm als as. Hij werpt Zijn ijs heen als stukken: wie zoude bestaan voor Zijn koude?

Psalm 147:16, 17.

 

(Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

 

  1. De grote God! heeft deze wet,

Voor lent', en oogst, voor hitt’ en koude,

Voor dag en nacht, zo vastgezet,

Om tot het eind’ te onderhouden.

 

  1. De zon nu van ons afgegaan,

Maakt lange nachten, korte dagen,

Het plantgewas moet stille staan,

Voor al de gure wintervlagen.

 

  1. De koude lucht, en scherpe wind,

Doen ’t vloeiend water zo verstijven,

Dat men betreden paden vindt,

Op ’t dunne vocht, daar stromen drijven.

 

  1. De witte sneeuw bedekt het veld,

Dat groen en lieflijk placht te wezen,

Ja mens en beesten zijn versteld,

En wachten op een ander wezen.

 

  1. Hoe is ’t met u, o ziel! gesteld?

Die door de liefde placht te blozen!

Mij dunkt dat u de koude knelt,

Uw kracht en geest, schijnt ook bevrozen.

 

  1. Och ja! ik ben van kou zo stijf,

Het innig vuur is mij ontweken,

Die koude dringt door ziel en lijf,

Mijn krachten zijn bijna bezweken.

 

  1. Mijn ziele is zeer dor en dood,

Ach! onbekwaam tot goede vruchten!

Van leven, lust en kracht, zo bloot.

Dat doet mij dikwijls innig zuchten.

  1. O Vader! Die mij hebt gemaakt,

Komt toch mijn harte weer verwekken,

Als Uwe Geest mijn ziele raakt,

Dan zal mijn liefde tot U strekken.

 

  1. O Zonne der gerechtigheid!

Ai, wijkt van mij ook nu niet verder,

Mijn ziel wordt door Uw Licht geleid

Op mijnen weg, o trouwe Herder.

 

  1. O Hemelslicht! Dat nederkwam,

Om in de zielen te ontsteken,

Een wederstraal, een liefdevlam,

Om alle duisternis te breken.

 

  1. Geeft lust en kracht in mijne ziel,

Dat Uwen Geest, mijn geest verwarme,

Die schier verkleumt, in flauwte viel,

Ach, wilt U over mij ontfermen.

 

  1. Uw liefde zij een krachtig vuur!

Dat koud’ en lauwt’ in mij vertere,

Dan heeft mijn wederliefd’ haar duur,

En brand in ijver, voor U Heere!

 

13. Dan zal ik U met vurigheid,

Vereren in mijn ganse leven.

Mijn hart, en mond zal zijn bereid,

U eeuwig lof en prijs te geven.

 

Hendrik Uilenbroek (?-1681)

Nieuwjaarslied

(Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

  1. Ik wil met zingen Gods lof vermêren,

En vrolijk zijn in ’t nieuwe jaar.

Weg ijd’le dingen gij moet passeren,

Den lof is voor mijn Middelaar,

Dat is Gods Zoon, den sterkste Held der helden,

Die heel kan vernielen satans grote macht

Dies wil ik nu Zijn waarde lof vermelden,

De vreugd mijner ziele brengen aan den dag,

Lof schoonste Schoon, lof enig Middelaar,

Lof Godes Zoon, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

 

  1. Al mijn gedachten zijn opgetogen

Om Godes lof te roepen uit,

Helaas! mijn krachten niet veel vermogen,

Dies roep ik met een zwak geluid

Lof, grote God! Gij werd Mens geboren,

En komt hier tevoren gelijk een Kind.

Die duivels macht ten volle kan verstoren,

Men arm, behoeftig, in doeken windt.

Helaas! om ons, o Liefde wonderbaar.

Lof Godes Zoon, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

 

  1. Nu is verschenen de Morgensterre,

Dit schoonste Licht nu heer’lijk schijnt,

Dit zag voorhenen Abraham van verre,

De nare nacht daardoor verdwijnt.

Dit groot geluk is ons nu toegekomen,

Looft nu al gij vromen uwen Bruidegom,

Hij heeft uw druk en last op Zich genomen,

Ach! en wilt niet schromen, heet Hem wellekom:

Weest wellekom, o! lieve Middelaar:

Lof Godes Zoon, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

  1. Troost u hiermede, dat Godes Zone,

O! bruid Sion, u acht zo waard,

Dat Hij u gunstig gaat bekronen,

En voor rechtvaardig u verklaard:

In vaste trouw’ wil Hij met u verenen,

En u voort verlenen mee Zijn heerlijkheid,

Geeft eeuwig vreugde in plaats van wenen,

En ’t Hoofd van Uw leden zijn in eeuwigheid:

Dus waarde bruid, Gods uitverkoren schaar’,

Zingt Godes lof, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

 

  1. Kant u gerustig tegen de zonde,

Strijd als een held een korte tijd,

Wordt niet onlustig al krijgt gij wonden,

Gij houdt het veld, en wint den strijd:

Uw Middelaar wil stadig bij u blijven,

En u gunstig stijven met Zijn Heil’gen Geest,

En tot Zijn eer al ’t kwaad van u verdrijven,

En ’t is Zijn believen, dat gij niet en vreest,

Dus dankbaar zijt uw lieve Middelaar:

Lof Godes Zoon, lof, lof in ’t nieuwe jaar.

 

Claes Jacobsz Wits (1599-1669)

Hoe de herders Christus hebben gezocht en gevonden

Te zingen op de melodie van Psalm 24

  1. Zo haast deez’ tijding was gebracht

Aan d’ herders in de nare nacht,

Dat de Messias was geboren,

Gelijk God Die waarachtig is,

Wiens Woord niet leugenachtig is,

Hun ook voorzegd had lang tevoren.

 

  1. Zo hebben zij dit nieuw’ bescheid

Met vlees en bloed niet overleid,

Maar door ’t gelove aangenomen,

En hebben alles laten staan,

En zijn aanstonds zo heen gegaan,

Om bij het Kindeke te komen.

 

  1. Ach dat ik ook zo willig was,

Zo vaardig, ijverig, en ras,

Om Uwe wil in ’t werk te stellen.

Dat, als ik maar het minste woord

Van U ontvang, ik dat ook voort

Vaardig betracht en nooit uitstelle.

 

  1. Laat vlees en bloed verloochend zijn,

Hetwelk mij onder zoete schijn

Gaarn’ ongehoorzaam maken zoude.

Maak dat ik altijd willig zij,

Al te verlaten ’t gene mij

Van deze Jezus zoekt te houden.

 

  1. Op, op dan nu mijn trage ziel.

Volg deze herders op de hiel,

Zoek Jezus toch, uwe Beminde,

Zoek Jezus in Zijn Heilig Woord,

Ook waar men Zijne woorden hoort,

Bij d’ hemelingen zult g’ Hem vinden.

 

  1. Komt vrienden, laat ons samen gaan,

De een porre de ander aan,

Wilt Hem elkander toch aanwijzen;

Wie deze Jezus ’t eerste vindt,

Die zal dan ook dit zoete Kind

Daarna aan anderen weer wijzen.

 

  1. De herders hebben Hem gezocht,

En werden eindelijk gebrocht

Bij Jezus; z’ hebben Hem gevonden

Niet kost’lijk opgetooid, maar slecht,

Bij het vee in een krib gelegd,

In arme doeken opgewonden.

 

  1. Die door Zijn kracht de hemel draagt,

Op Wiens woord (dat) het alles waagt,

Ligt bij ’t onreedlijk vee verschoven.

De mens verstoot Hem in een stal,

Nochtans een overgroot getal

Van ’s hemels heir dat moet Hem loven.

  1. Van Zijn geboort’ was Hij versmaad

En zonder glans was Zijn gelaat

Verschoven in Zijn eerste dagen.

Hij heeft de schand’ en smaad veracht,

En ons daardoor ter eer gebracht,

Dit heeft Hem die doen willig dragen.

 

  1. Helaas, hoe dikwijls ziet men toch

Dat Jezus in Zijn leven nog

Veracht, verstoten wordt, verschoven?

Wie Christus’ beeld hier dragen wil,

Die moet zijn kruis opnemen stil,

En door die weg zo gaan naar boven.

 

  1. De herders waren al meteen

Als opgetogen, in hetgeen

Zij zagen, en de eng’len zeiden:

En hebben overal, alwaar

Zij kwamen, deze blijde maar’

Verkondigd en willen verspreiden.

 

  1. Waar Jezus in het harte woont

En Zich met Zijn gena vertoont,

Daar moet de tong ook van Hem spreken.

Het hart dat is zo vol daarvan,

Dat het zich niet inhouden kan,

Het moet dan ook ter mond uitbreken.

 

  1. Ach Heer’, dat Gij in mijnen mond

Ook Niets dan deze Jezus vond,

Maar kwade reên mochten geweerd zijn.

Dat steeds Zijn Naam door mij vermeld,

En Zijne lof van mij verteld,

Door mijne tonge mocht vereerd zijn.

 

  1. Nadat dit alles was gedaan,

Zijn d’ herders weer naar huis gegaan,

En gaven Gode lof en ere.

Zij waren uitermate zeer

In deze nieuw-geboren Heer’

Verheugd, vol vreugd zij wederkeren.

 

  1. Gij hebt, mijn ziel, nu ook het woord

Van Christus’ heilzame geboort’

Gehoord, het is u ook verkondigd.

Juich nu met vreugderijke stem,

Met tong en mond, verheerlijk Hem,

Ziet toe dat gij u niet bezondigt.

 

  1. Ere zij God in ’s hemels troon,

God Vader, Heil’ge Geest en Zoon,

Zij steeds met hart en tong geprezen.

Hem zij lof, prijs en heerlijkheid;

Van eeuwigheid tot eeuwigheid

Moet Hij van mij verheerlijkt wezen.

 

Johannes Cloeck 1641-1714

Vreugdegezang op de geboorte van Christus

Te zingen op de melodie van Psalm 89

  1. O, langgewenste dag, o vreugderijke tijd.

Waarin zich ’t Christenvolk met reden zeer verblijdt.

Wanneer des hemels bood’ die tijdinge deed horen:

De Zaligmaker is op heden u geboren!

Te Beth’lem in een stal wordt uwe Heer’ gevonden.

Daar ligt ’t klein-grote Kind in doeken omgewonden.

 

  1. O wonder Gods, o groot geheim der zaligheid!

Hier ziet men saâm armoed’, ootmoed en majesteit.

God is een mens! en komt bij ons in ’t vlees verkeren.

Gods eengeboren Zoon! Die zelfs de eng’len eren,

Vernedert Zich tot knecht en wil aan ’t kruise sterven

Om voor zondaars genâ bij Gode te verwerven.

 

  1. Hoe heerlijk daalt en straalt de heil’ge hemelschaar

Die zingt Gods lof en maakt Zijn wond’ren openbaar.

God zij de eer, in d’ hoogste heel, was haar tale;

Dat Zijnen gunst in vreê op aarde nederdale.

Hij neme in de mens een gunstig welbehagen!

Om deze Middelaar! Die alle schuld zal dragen.

  1. O Jezus, Vredevorst! Dat toch Uw vrede daal’

Op ons, van God vervreemd, dat z’ in ons harte straal’!

Maak met de Hemel vreê, dat vijandschap verdwijne;

Doe vrede overal en zaligheid verschijnen.

Aan ons ontrust gemoed wil Uwe vrede geven,

Dat wij eendrachtelijk als Vredeskind’ren leven.

 

  1. O, ziel! verhef uw toon en zing der eng’len lied.

Zing Gode eer, nu gij uw Zaligmaker ziet,

In Wie nu straalt Gods macht, wijsheid, genaad’ en trouwe;

Goedheid en liefde is in Jezus te beschouwen,

Rechtvaardigheid, gepaard met Gods barmhartigheden,

Laat zijn de stof van vreugd en van uw lof op heden.

 

Hendrik Uilenbroek (?-1681)

Krankenbezoeker te Amsterdam

Van des Zoons Goddelijke natuur, door Zijns Vaders eeuwige generatie

Te zingen op de melodie van Psalm 111

  1. O Jezus! Ach! Uw Naam en roem,

Is wonderlijk, als ik U noem,

Voor al de heuvelen geboren.

Gij zijt des Vaders een’ge Zoon,

Die ’t wordt gegund voor Zijnen troon

In zuiv’re liefdevlam te gloren.

    1. Ach! Neem mij ook als Vader aan,

    En doe mij met Uw kind’ren gaan

    Met eerbied tot Uw opperwoning.

    Dat ik U met een diep ontzag,

    Eerbiedigen, en vrezen mag,

    O heerlijk en ontzaglijk’ Koning.

    Van des Middelaars menselijke natuur, door de ontvangenis van de Heilige Geest en de geboorte uit Maria

    1. Maakt Gij, o Jezus! dat zich d’ aard’

    Zo gunstig met den hemel paart,

    Door Uw geboorte hier beneden?

    Daar Gij in diepe need’righeid,

    In kribb’ en stal wordt neergeleid,

    Van ’t goddeloze gros vertreden.

      1. Maar Jezus! Ach! Wat baat het mij,

      Of Uw geboort’ op aarde zij,

      Als G’ in mijn hart niet wordt geboren?

      Kom dan, o Heiland, in mij woon,

      En maak mijn hart U tot een troon,

      Dat ik mag U gans toebehoren.

      Van des Middelaars Namen Jezus Christus

      1. O, Zaligmaker, maak mij vrij

      Van zonden, en de slavernij

      Des satans, die mij wil verslinden.

      Ach! schenk mij ook Uw hoogste goed

      Dat Gij aan al Uw erfvolk doet

      Voor eeuwig in den hemel vinden.

      1. Zalf mij met Uwen Heil’gen Geest,

      Opdat Gij recht van ij gevreesd,

      Gehoorzaamd zijn moogt, en geheiligd.

      Verwerf mij Uw genaad’ en kracht,

      Dat ik op ’t rechte spoor gebracht

      Mag zijn, en eeuwiglijk beveiligd.

       

      Ds. W. Schortinghuis (1700-1750)

      Maria zwanger zijnde van onze Zaligmaker, en Elisabeth zwanger van Johannes de Doper, begroeten elkaar.

      Lukas 1:39-56

      (Geïnteresseerden kunnen via het contactformulier de melodie + koraalzetting gratis opvragen.)

      1. Nadat Maria, zonder man,

      Door d’ Heil’ge Geest was zwanger,

      Zij zulk een vreugde niet en kan

      Bij haar verbergen langer;

      Maar de genaderijke maagd,

      Die in haar buik Gods Zone draagt,

      Bedenkend’ hoe haar nichte

      Elisabeth ook was bevrucht,

      Wenst met een aangenaam gezucht,

      Te zien haar aangezichte.

       

      1. Zij reist, en geeft in dit geval

      Haar zwakheid geen verschoning,

      Maar komt haast over berg en dal

      Tot Zacharias woning,

      Daar haar Elisabeth ontmoet,

      Die zij met een gelukwens groet.

      Ziet hier Gods wonderwerken,

      Hoe een bevruchte maagdom kom

      Tot een bevruchten ouderdom!

      Wie kan ’t genoeg aanmerken?

       

      1. Twee wereldswond’ren komen hier

      Elkander lieflijk tegen,

      Verkondigen, door Gods bestier,

      D’ een d’ ander heil en zegen

      In zulk een gelukzaligheid,

      Die z’ onderling genieten beid’;

      Hier komen bij elkander

      Twee wond’re moeders tegelijk,

      Hoewel in velen ongelijk

      Ook d’ ene zij bij d’ ander.

       

      1. D’ één moeder is een zuiv’re maagd,

      Daarbij nog jong van jaren;

      Maar d’ ander vrouw, en oud-bedaagd;

      D’ één zal den dienstknecht baren;

      Maar d’ ander heeft een groter eer,

      En is de moeder van den Heer’.

      De kinderkens zijn mede

      Gans wonderbaarlijk beidegaar (= allebei),

      Hoewel nooit ongelijker paar

      Gezien is hier beneden.

       

      1. ’t Een is maar mens, besmet met slijk

      Der algemene zonden;

      Maar ’t ander Mens, doch tegelijk

      Waarachtig God bevonden,

      En zonder alle zonde gans;

      D’ Één lichtend’ als een kaars in glans;

      Maar d’ ander als de Zonne;

      D’ Één Koning; d’ ander Zijn gezant;

      D’ Één ’t waar Lam Gods; en d’ ander d’ hand

      Die ’t wijst met vreugd en wonne (= winst).

      1. Elisabeth groet niet zo snel

      Haar zegenrijke nichte,

      Als hare vrucht of kind’ken wel

      Zijn plicht alhier verrichte,

      Dat, buiten het gemeen gebruik,

      Van vreugden opspringt in haar buik,

      Door d’ Heil’gen Geest bewogen,

      Als tonend’, hoe het haast vernam,

      Dat zijn Verlosser tot hem kwam

      Met Goddelijk vermogen.

       

      1. Dien ’t met deez’ ongemene vreugd

      Voor d’ eerste maal is groetend’,

      Gelijk een speelknecht zich verheugd

      Zijn bruidegom ontmoetend’;

      Ja in zijns moeders lijf begint

      Hij te verkond’gen ’t zelve Kind,

      Daar hij in de woestijne,

      Volwassen zijnd’, heel vele van

      Zal spreken tot een ieder man,

      Opdat Zijn licht hen schijne.

       

      1. Elisabeth verheft hierom

      Haar groot geluk en ere,

      Dat haar aldus bezoeken kom

      De moeder van haar Heere.

      Doch d’ heil’ge maagd vol zedigheid

      Haar eigenzelve niet en vleit,

      Maar zingt, met al haar krachten,

      In God haar Heiland zeer verblijd,

      Gods wond’ren, die haar nu ter tijd

      Zijn Geest geeft in gedachten.

       

      1. Zij bleven nog drie maanden t’saam,

      Eer dat ze konden scheiden;

      Hoe lieflijk, zoet en aangenaam

      Moet onder deze beiden

      Daar zijn geweest de t’samenspraak,

      En al haar geest’lijk vermaak,

      Gedurend’ deze dagen!

      Wat Goddelijke liefdebrand!

      Die ieder in haar ingewand

      Al zulke schatten dragen!

       

      Ds. W. Sluiter (1627-1673)

         

        Alzo lief heeft God de wereld gehad

        Johannes 3:16

          1. Komt bondgenoten, juicht den Heer’,

        En zingt met hart en monde;

        Verheft tezaam des Heeren eer

        En wilt Zijn lof verkonden.

        De zaal’ge Oppermajesteit,

        Bekleed met glans en heerlijkheid,

        Die komt alhier beneden,

        En reikt de hand van vrede.

         

        1. Gods eigen Kind en Wonderzoon

        Van eeuwigheid geboren,

        Verlaat Zijn hoge hemeltroon

        En draagt des Vaders toren.

        Hij stort Zijn eigen hartebloed

        En blust daarmee Gods toornegloed,

        Waarvoor de bergen beven,

        Zijn dood is mij het leven.

         

        1. Het heil, waar in de oude dag

        ’t Gelovig volk op rustte,

        Waar Mozes’ schaduwwet op zag,

        Die Zone die zij kusten,

        Die Zich de Vader heeft gesterkt,

        En waar zij door de Geest bewerkt,

        Hun eeuwig heil op bouwden

        En door ’t geloof aanschouwden.

         

        1. De Godheid Die beledigd is,

        O grondeloos ontfarmen,

        Die roept: kom hier, Ik zal gewis

        Met liefde u omarmen.

        Kom hier met al uw schuld belaân,

        Het zal u eeuwig wel vergaan.

        Ik heb voor al uw zonden

        Verzoeninge gevonden.

         

        1. Hier is gerechtigheid en geest,

        Genade, volheid, leven.

        Kom maar vrijmoedig, onbevreesd,

        Wat staat gij zo te beven?

        Kom, geef uzelve maar aan Mij,

        Ik zal u eeuwig maken vrij.

        Kom, wil u op Mij wagen;

        Want dat is ’t welbehagen

        1. Van Hem, die Mij gezonden heeft;

        Dat, die de Zoon aanschouwen

        En zich gelovig overgeeft

        Aan Mij zich toevertrouwen;

        En op die vrij genadevond,

        Zijn ziele waagt en eeuwig grondt;

        Dat die niet zal verderven,

        Maar ’t eeuwig leven erven.

         

        1. Ik wil mij dan niet meer beraân,

        Maar mij daar henen wenden.

        En naar die rijke Jezus gaan

        Met al mijn zielsellenden.

        Ik kom dan, Jezus, onbevreesd,

        Tot Uw gerechtigheid en Geest;

        Laat die mijn ziel genezen

        En ik de Uwe wezen.

         

        1. Ach, kond’ ik met mijn zielsellend’

        Gelovig tot U vluchten.

        Ach, was mijn hart tot U gewend;

        Ach, kond’ ik maar met zuchten

        Mijn klachten storten in Uw schoot.

        En al mijn zielsgebrek en nood,

        Ootmoedig t’ allen dage

        Aan U, mijn Jezus, klagen.

         

        1. Dan zou mijn ziel in d’ open lucht

        Nog adem kunnen halen.

        Mijn hart, verruimd door zo een zucht,

        Zou vrolijk zegepralen.

        Dat klagen van mijn nood en pijn

        Zou balsem voor mijn ziele zijn,

        Genezing van mijn smarten;

        Geef mij die wens mijns harten.

         

        Ds. J. Groenewegen (1709-1764)

        Uit: De lofzangen Israëls

        Christus alles en in allen

        Te zingen op de melodie van Psalm 27

         

        1. O Christus, Die zijt alles en in allen,

        Mijn ziel zal met en in U zijn vernoegd,

        Hoe dat Gij ‘t, naar Uw heilig welgevallen,

        Dan ook met mij en mijne zaken voegt.

        Wanneer ik U alleen maar heb, o Heer’,

        Heb ik genoeg, al had ik ook niet meer;

        Bezwijkt mijn hart en vlees van treurigheid,

        Gij zijt mijn Rots en Deel in eeuwigheid.

         

        1. Wanneer ik U mijn Al in Al kan noemen,

        En hangen vast aan U mijn Al in Al,

        Zo kan ik zelfs in mijn verdrukking roemen,

        En ben goedsmoeds in nood en ongeval;

        Want Gij alleen, Gij zijt, en hebt, en geeft,

        Al ’t geen waarbij de ziele vrolijk leeft;

        En die in U stelt al zijn vreugd en rust,

        Heeft alles naar zijns harten wens en lust.

         

        1. Een ander mag zich smart en onrust maken

        In ’t zoeken naar hetgeen hem meest behaag,

        Met lust en rust zal ik naar U maar haken,

        Als die naar al het ander niet meer vraag.

        De wereld laat ik wellust, schatten, eer,

        Of zo zij nog iets anders weten meer;

        Mijn wellust, schat, en eer zijt Gij alleen,

        Ja Gij mijn Al in Al, en anders geen.

         

        1. Niets kan zo goed, zo zoet of heerlijk wezen,

        Of ’t hoogst’, en eerst, en ’t allerbeste goed

        Moet duizendmaal daarboven zijn geprezen,

        En ’t stilt op ’t best en lieflijkst ons gemoed.

        Mijn Heiland, o mijn Al in Al, hoe is ’t,

        Dat somtijds nog mijn ogen zijn bemist

        Door ’t schim en schuim der wereld, die mij vleit,

        En lokt en tokt met haar begeerlijkheid!

         

        1. Wat zou mij hier op aarde ooit bekoren?

        ’t Is ijdelheid, al schijnt het nog zo groot;

        ’t Vergaat haast en verlaat ons zelfs tevoren,

        Of immers wij verlaten ’t in den dood.

        Mijn God, mijn vreugd, mijn lust, mijn rust, mijn Al,

        Wat is er, dat ik wensen kan of zal,

        ’t Welk Gij alleen mij niet veel beter zijt?

        O! leer mij dit bedenken ’t aller tijd.

         

        1. Laat onderdies veel moeit', en ongelukken,

        Verdriet en kruis, mij vallen op het lijf,

        Ellend’ en veel nooddruftigheid mij drukken,

        Als Gij in mij, en ik in U maar blijf;

        Ja schoon dit al mij treft op ene tijd,

        ’t En is geen kwaad, zo Gij mijn hulp maar zijt,

        Mijn hoogste goed, mijn God, mijn Al in Al,

        Al ging ik ook in ’s doods vervaarlijk dal.

         

           

           

           

          1. ‘k Ben in U groot en hoog van naam en ere,

          Zo ‘k hier veracht en klein ben, of versmaad,

          Gij Zelve zijt mijn liefde, die ‘k begere,

          Zo dat ik mij niet stoor’ aan ’s werelds haat.

          Ik heb aan U mijn liefst en beste Vriend,

          Schoon niemand met mijn vriendschap waar' gediend.

          Gij zijt mijn vreugd, indien men mij bedroeft,

          Mijn Al in Al wat ooit mijn ziel behoeft.

           

          1. Vervul alleen mijn hart met Uwe zoetheid,

          Zodat ik al mijn wens en hoop maar stell’

          In Uwe gunst, en eindeloze goedheid;

          Zo kan ’t met mij niet anders zijn dan wel.

          Zo mag ik mij met deez’ verzeek’ring voên,

          Dat ’t slimste, dat de wereld ooit zal doen,

          Niet anders kan, dan dat het mij voor U

          Gelukkig maak’, en van het aardse schuw.

           

          1. Geef, dat ik niet en acht op een’ge dingen,

          Noch voor mijzelf mijn leven dierbaar houd’,

          Om slechts mijn loop met blijdschap te volbringen.

          Ei, lijd niet, dat mijn ijver weer verkoud’;

          Opdat ik zing, in liefdes sterke gloed;

          Dit vuur en blust geen grote watervloed;

          Schoon iemand mij al ’t goed zijns huizes gaf

          Voor deze liefd’, ik sloeg ’t geheellijk af.

           

          1. Voor die met U gezet is in den hemel,

          En in Uw troon met U te zitten hoopt,

          Is al te slecht Uw laagste voetenschemel (= voetbank),

          Waarvan een dwaas het stof zo zuur beloopt.

          ’t Gelove voert de ziele vaardig op,

          Tot aan, ja ín den hemel, hoog in top,

          Zodat z’, al wat op aarde is en zweeft,

          Voor klein aanziet, en onder voeten heeft.

           

          1. O Heere, zijt en blijft het Deel mijns erven,

          En onderhoudt, door Uwe kracht, mijn lot,

          Hetzij dan dat ik leef of kom te sterven.

          Zijt mij genoeg, mijn Al-genoegzaam God.

          Gij hebt ons, om met U te zijn, gemaakt,

          Dies is er niets dat mij aan ’t harte raakt,

          Dan Gij alleen en d’ eeuw’ge zaligheid,

          Mij, uit genâ, door ’t waar geloof, bereid.

           

          1. Mijn God, Gij Die zijt enig en oneindig,

          Wend af mijn oog van ’s werelds ijd’le schijn.

          Die, tegen wil en dank, mij kwelt ellendig,

          Zodat ik op mijzelf verstoord moet zijn.

          Hecht vast mijn hart aan Uwen hemel, Heer’,

          Aan U, Die in den hemel zijt, nog meer;

          Vermits Gij in Uw hemels schoon gewelf

          Zijt al de vreugd, en als een hemel zelf.

           

          Ds. W. Sluiter (1627-1673)

           

          Maak jouw eigen website met JouwWeb