Meditaties
Alleenspraak eens zondigen mensen in den angst der wedergeboorte
Betrachtingen eens zondaars,
die hij gehad heeft in den angst zijner wedergeboorte;
dienstig om te vorderen de bekering van de dode werken tot den levenden God,
en tot een hartsterking tegen alle wereldse droefenis.
Door Willem Teellinck (1579–1629)
Hoofdstuk 13
De bezorgde zondaar wordt de goddeloosheid zijns harten gewaar, en worstelt daartegen.
1. Maar, Heere, mijn God! wat is dat ook voor een gans snode, boze gestalte mijns harten, dat ik mij niet met U alleen, mijn God, zou willen tevreden houden; dat ik nog iets anders meer zou willen zoeken, dan U; dat ik nog zou twijfelen, of ik gaarne alles behoorde te laten, om U te winnen. Ach, Heere! wat bewijst dat anders, dat dat mijn hart maar een boos, ongelovig hart is, om van U, den levenden God af te treden? Zal ik, dit nu gewaar wordende, mij dan langer in zulk hart toegeven? Zal ik niet vooral en met de ernstigste inspanning mijner krachten zulk een boze en verdoemelijke ongelovigheid van mij zoeken te verdrijven?
2. En wat! of mijn snood, boos en verdorven hart nog wilde twijfelen aan het wezen Uwer heerlijkheid, Uwer hoge Majesteit, en zich wilde laten voorstaan, dat zulks (o gruwel!) maar een fantasie der mensen, en een schrik der blode (= bedeesde) harten ware; zal mij zulks in de eeuwigheid enige verschoning voor U, den groten God, en Rechter van de ganse wereld, kunnen toebrengen?
3. Want Gij hebt toch Uzelf aan ’s mensenhart gans niet onbetuigd gelaten; dewijl Gij Uw eeuwige mogendheid en Godheid aan aller mensen geweten genoeg geopenbaard hebt door de geschapen dingen, en nog verder Uzelf aan aller gemoederen opdringt en als te voelen en te tasten geeft, met tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten, en bedelingen des Geestes, naar Uw wil; zodat de snode mens eerst de ogen zijns harten moedwillig moet uitsteken, en de roeringen en betuigingen van zijn geweten door ongerechtigheid te onderhouden, en als met kracht en geweld onderdrukken en smoren, eer hij alle gedachte van Uw Goddelijke majesteit en van de rekenschap die hij zal te geven hebben ten uiterste dagen, over alles dat hij hier op aarde gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad, uit zijn zin kan zetten.
4. Zo is ook gewisselijk deze zaak van zulk een groot gewicht, dat al ware het slechts, dat ik maar eens in mijn leven een klein woordje vernomen had van het wezen Uwer heilige Majesteit en van de gevolgen der afgronden der eeuwige zaligheid of verdoemenis, die aan Uw rechter- en linkerhand zijn, voor goeden of kwaden, ik zou billijk mijn hele leven lang daarnaar moeten gaan schikken, en al mijn doen en laten daarnaar richten, hoe ik U, mijn grote God (van Wie ik nu wat vernomen had, alhoewel nog met veel twijfelingen), mij immers toch wel aangenaam mocht kunnen voorstellen; dewijl toch gewisselijk de zaak van al te groot gewicht is, dan die zo op het onzekere op haar beloop te laten.
5. Want, voorwaar, werd het alzo bevonden ten uiterste dage, gelijk mijn geweten het mij nu en dan genoeg betuigt, dat het daar waarlijk zo staat, welk een sidderen en beven, welk een bleekheid des aangezichten, welk een ontzinking des gemoeds, welk een onuitsprekelijke schrik en afschuw zou dan al tevens mij, arm mens, bevangen, als ik daar mijn grote God en Schepper voor mij zou zien staan, op Wie ik geen acht had willen geven, en aan Zijn rechterhand de volheid der vreugden zien, die eeuwiglijk duren, en aan Zijn linkerhand, de onuitsprekelijke pijnen en tormenten, die ook nooit een einde nemen; en zou dan meteen bemerken, dat ik van stonde aan afgescheiden werd van dat grote gewicht der eeuwige heerlijkheid, hetwelk ik niet had willen zoeken, en neergestort worden in de afgrond der helse tormenten, die daar duren zonder einde, waarheen ik ook steeds had gelopen, - hoe zou mij dan het hart verkniezen! Hoe zou ik mij dan daarover gans zeer verfoeien, en nochtans te laat, wanneer er geen helpen meer aan zou wezen!
6. Ach, ach! wat een schrikkelijke dwaasheid ware dit dan in mij, daar ik zo dikwijls zoveel werking van Uw hoge Majesteit gevoel, dat ik nog geen uur tijds meer zou verzuimen, mij tot U, mijn God, te keren om de toekomende toorn te ontvlieden, om de toekomende heerlijkheid te verkrijgen!
Hoofdstuk 11
De gevoelige zondaar klaagt, dat hij zijn eigen ijdelheid en Gods algenoegzaamheid nog niet terdege beseft.
1. Groot is Uw genade, o grote God! dat mijn ogen enigermate geopend zijn om te zien de ijdelheid van alle aardse dingen en het nietig gewoel van de mens, die zich slechts met de wereld bezig houdt. Ja, Heere! Gij had mij mogen laten voortdwalen in de ijdelheid mijns harten; Gij had, dewijl ik de ijdelheid en de nietigheid liefhad, mij dezelve tot mijn deel mogen gegeven en mij hiernamaals eeuwig verstoten hebben; maar, Heere! Gij zijt nog dusverre lankmoedig over mij geweest; Gij zijt mij nog barmhartig geweest tot hiertoe.
2. Zo zou ik nu ook billijk deze grote en onverdiende genade, die Gij mij bewezen hebt boven vele duizenden, welke Gij nog naar huns harten goeddunken laat wandelen op een weg, die niet goed is, meer achten, dan al het goed van de ganse wijde wereld, meer dan iets, dat hoog in de wereld genoemd wordt; ik zou billijk dat licht, hetwelk Gij in mij ontstoken hebt, om enigermate mijn ijdelheid en Uw algenoegzaamheid te zien, meer dierbaar houden, dan het licht der wereld, dan het licht mijner ogen; ik zou trachten mij daarin meer te verheugen, meer te vermaken en te verlustigen, dan ik ooit gedaan heb, dan ik nog doen kan, in het genot van het alleraangenaamste, het allerschoonste, dat ik met het licht mijner ogen ooit gezien of beoogd heb; - maar, helaas, ik ellendige! mijn verdorvenheid, o Heere! is zó groot, al mijn krachten zijn door de aanliggende zonde geschonden, ik ben in de grond mijns harten zó ijdel, zó nietig, zó zelflievend, mijn eigen zelven alleen tot mijn God hebbende; dat al zie ik iets beters, en al zijn mijn ogen enigermate daartoe geopend geworden, zo verkies ik nog liever Uw genade te verlaten, en in mijn ijdelheid en nietigheid te blijven, de wereld te volgen, mijn vlees te dienen (waaruit ik, arme, toch niet dan het eeuwige verderf kan halen), dan dat ik mij daarvan terdege zou afbreken, en mij van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met al mijn krachten aan U overgeven. Gij toch alleen zijt mijn heil, mijn troost, mijn steunsel, mijns levenskracht, en mijn eeuwige zaligheid.
3. Och, och! hoe kwalijk ben ik in dezen bedacht! Het betaamt mij voorwaar, mij al anders te gedragen voor U, mijn God; want het moet zo wezen: ik moet mijzelven geheel verloochenen, of ik moet geheel verloren gaan; ik moet mijzelven geheel en al aan U overgeven, of ik kan niet behouden worden.
4. Zo zie ik dan, Heere! – ik ben ook daarvan overtuigd, en zulks is ook Uw overgrote genade, dat ik daarvan overtuigd ben – dat mij nog veel ontbreekt, dat, zal ik niet verloren gaan, zal ik worden behouden, mijn ogen nog al beter moeten geopend worden, niet alleen om nog krachtiger en klaarder mijn ijdelheid en nietigheid, mitsgaders ook de ijdelheid en nietigheid van alle aardse dingen, maar ook inzonderheid om de volheid, de algenoegzaamheid, van U, mijn God, te zien. Want toch, o Heere! het is maar een zeer klein beginsel van het geestelijke wezen, de ijdelheid en nietigheid der wereld te bemerken, als men ook niet meteen Uw algenoegzaamheid, Uw volheid bedenkt of beseft; opdat men zo geheel en al en met alle mogelijke bewegingen des harten moge leren aan U alleen te hangen.
5. Maar nu, helaas! bevind ik, o Heere! dat hoezeer mijn ogen geopend zijn om de nietigheid van alle aardse dingen te zien, en hoezeer ik mij ook overtuigd vinde, dat ik U, mijn God, boven al wat hoog, wat dierbaar, wat schoon in de wereld geacht wordt, behoorde te zoeken; er nog al evenwel een wortel der bitterheid in mijn hart blijft steken, die mij nog vasthoudt aan deze aarde, die ik nu toch genoeg kan zien, dat vol vervloeking is. Ik zie ook niet, o Heere! hoe ik die wortel zal kunnen uitroeien, ten ware Gij, o Heere! mijn ogen meer en meer wilde openen om te zien, dat alle volheid der goede dingen bij U alleen te vinden is, en dat Gij ook volvaardig zijt, uit die volheid alles goeds toe te dienen aan al diegenen, welke om Uwentwil de wereld verlaten, en U alleen voortaan willen aanhangen. Ja, tenzij dat Gij daarenboven mij nog verder het hart wilde openen met Lydia, en mij aan het hart wilde grijpen, en mij zó trekken, dat ik U naliep, zal ik toch nooit tot U komen, o God, mijn God! de menigvuldige heil mijns aangezichten, en de God mijner alverheugende vrolijkheid.
Hoofdstuk 10
De zondaar begeert genade van God, om niet, dan over hemelse dingen en die zijn zaligheid aangaan, bekommerd te zijn.
- Geef daarom, Heere! dat al mijn hoop en al mijn mening naar de hemelse goederen mogen gaan, dat al mijn begeerten bovenwaarts gericht en steeds naar onvergankelijke en onzienlijke dingen opgedragen worden, en dat ik toch niet door de vergankelijke en zienlijke dingen nederwaarts worde getrokken. Ja, geef, Heere! dat ik mij niet bekommere over hetgeen mijn zaligheid niet aangaat, maar alleen met Goddelijke dingen, en met andere, alzó, dat die mij tot zaligheid strekken mogen.
- Ja, geef mij, Heere! nu wel ernstiglijk te bepeinzen, uit welk een groot perijkel, zelfs het perijkel der hel, ik nu nog mag verlost worden, en welk een grote genade, zelfs der eeuwige zaligheid, ik nu nog deelachtig mag gemaakt worden, zo ik slechts hier op aarde, voor den korten tijd mijns levens, mij wil verloochenen, Uw raad volgen, de zonde verlaten en U aanhangen. Nu kan mij nog mijn zuchten baten; mijn wenen kan mij nu nog helpen; mijn luisteren naar Uw raad zou mij nog kunnen behouden; - maar eerlang komt er een tijd, wanneer er geen plaats van berouw en zaligheid meer zal te vinden wezen. Dat ik dan nu nog toezie, Heere! Ik weet immers wel, Heere! dat hier namaals een uur in de hel zwaarder zal wezen van pijn, dan vierhonderd jaren van zelfverloochening mij kunnen zijn. Maakt nu een klein lijden mij zo ongeduldig, wat zou mij dan de pijn der hel maken?
- Geef mij derhalve, o Heere! dat ik altijd met dit voornemen moge gewapend gaan: dat ik om geen waarom, neen, niet om al het goed der wereld, willens en wetens, goedsmoeds, enige zonde meer tegen U begaan wil; en gelijk een eerbare maagd altijd met dit besluit gewapend gaat, dat zij zich, om leven noch om sterven, niet van iemand wil laten schenden of bevlekken, zo geef, o Heere! dat ik desgelijks moge gezind wezen tegen de listige satan en tegen de zonde.
- Geef mij ook, Heere! nauw op te merken, tot welke zonden ik het meest geneigd ben, en bij welke gelegenheid ik meest pleeg in die zonde verstrikt te worden, opdat ik tegen die gelegenheid mij allermeest wachte, en allermeest op mijn hoede zij.
- En als ik dan nog tot enige zonde verlokt word, o Heere! doe mij dan toch die genade, dat ik moge afzien van het tegenwoordige lokaas der zonde, van het genoegen en het voordeel, dat mij de zonde mocht beloven, en dat ik liever mijn ogen opene om te zien, welke de bittere vruchten en de wrange nasmaak der zonden zijn. Geef mij ook te zien, Heere! hoe op den staart der zonde de duivel zit; ja, dat de zonde de ganse hel naar zich sleept, opdat ik daarvan moge verschrikken. Breng mij dan ook, Heere! de statelijke beloften, die ik U in mijn doop gedaan heb, in den zin: dat ik de duivel, mijn eigen vlees, de wereld en de zonde altijd zou tegengaan, en naar Uw geboden luisteren en daarnaar doen. Doe mij voorts, o Heere! dikwijls en levendig voorkomen het bittere lijden van Uw Zoon, mijn Zaligmaker, hoe Hij mij steeds, als het ware smeekt en bidt, om Zijns bitteren lijdens wille, dat ik Hem toch niet opnieuw zou kruisigen met mijn zonden, maar mij daarvan onthoude, en Hem alzo verheerlijke.
- En bekrachtig dan ook, Heere! al deze bedenkingen door Uw Geest alzó aan mijn hart, dat ik daaruit nieuwe sterkte moge krijgen, om alle boze verleidingen tegen te staan, dat daardoor de bewegingen des duivels in mij gebroken mogen worden, en ik gesterkt om van nu voortaan (zoals dit betaamt) al de dagen mijns levens in heiligheid en gerechtigheid voor U, mijn God en Verlosser, te wandelen, opdat ik alzo, o Heere! door U moge gezegend worden met de beste zegeningen, waarmede Gij Uw liefste kinderen pleegt te zegenen, om alzo te mogen maken Uw vriendelijkheden, die Gij verborgen hebt dengenen, die U vrezen, en deel krijgen aan die vreugde en troost, welke Gij Uw uitverkorenen bereid hebt, die anders nooit aardse oog gezien, noch vleselijke oor gehoord heeft, noch ooit in ’s mensen natuurlijk hart gekomen zijn. Amen, amen.
Hoofdstuk 9
De zondaar begeert van God opening der ogen, om te zien de nietigheid van al die dingen, waarom de arme mens dikwijls God verlaat en de zonden aanhangt.
1. Daarom bid ik U, o Heere! Wil mij (opdat ik toch van de dienstbaarheid der tegenwoordige verleiding mocht vrijgesteld worden) toch ten volle wel doen zien, welke nietige, ijdele dingen het zijn, waarom ik wel ooit Uw allerheiligste gunst pleeg te verzuimen, de zonden te begaan, en alzo het grote gewicht der eeuwige zaligheid te verwaarlozen en mij in de weg der verdoemenis te stellen.
2. Het zijn immers nog allemaal maar ijdele dingen: - een van drieën: 1. Of het opvolgen van enige nietige, ijdele dingen, daar mijn hart op staat, als: rijkdommen, of eer, of staten, of wellusten, of wraak tegen onze vijanden, of studiën, en uitzoekingen van verborgene dingen; 2. Het believen van mijn eigen zinnelijkheid, of van andere mensen, en dat ik niet in mijn hart kan vinden, enige mensen, die mij lief zijn, tegen te gaan, maar hen wil behagen; of 3. Het ontzag van de wereld, en dat ik schroom kwalijk besproken te worden, of dat ik vrees, de bedreigingen en ongemakken, die de wereld mij zou willen aandoen.
3. Maar nu, Heere! wat zijn dit toch voor dingen, en hoe haast vergaan en veranderen die toch, dat ik om zulker beuzelingen wille de zonde zoude begaan, en van U, mijn God, afgaan, en alzo dat grote gewicht der eeuwige heerlijkheid verwaarlozen? Moogt Gij nu niet wel billijk, o Heere! wederom klagende vragen: “Ei, welke prijs dat Ik van hen waardig geacht ben?”
4. Is het ook niet alzo, Heere! Dat, wil ik een christen wezen, wil ik wat anders zijn dan een werelds kind, dat ik mij dan in al deze dingen moet verloochenen, en wat beters najagen, hetwelk Gij bereid hebt dengenen, die U vrezen? Och, Heere! geef mij toch, dit terdege te beseffen; dring het mij wel aan het hart, hoe nodig het is, dat ik mijzelven verloochene, dat ik mij in vele dingen besnijde, waarnaar de wereld hunkert, zal ik mij als een waar christen kunnen aantonen. Bewerk ook mijn hart, Heere! om zulks gaarne te betrachten.
5. Geef ook, o Heere! dat, als mij iets aangenaams (dat tegenwoordig mij streelt en ter verleiding vleit) voorkomt, ja, als ik iets heb, waar mijn hart zeer naar hunkert, zeer op verlekkerd is, zich zeer in vermaakt – hetzij vrouw, hetzij kind, hetzij aangename spijs of drank, of wat het wezen mocht – dat ik mijn lust en mijn genegenheid tot dezelve matige, met deze bedenking: dat toch dat alles zo gans ongestadig is, en dat ik toch zelf, of ik wil of niet, haast sterven moet, haast daarvan, én van één, én van alle, scheiden moet. Als ook iets, dat mij kwelt en bekommert, mij overkomt, waardoor ik tot een dwaasheid zou kunnen gebracht worden, laat mij dan ook terstond bedenken, Heere! dat zulks niet eeuwig duren zal, dat de tijd mijns levens vast ten einde loopt, dat ik toch hier geen blijvende plaats heb.
6. En geef mij dan nog verder levendig te overdenken, Heere! dat, indien aan de ene zijde iets tijdelijks en vergankelijks, hetwelk mij toch liefelijk is, mij zó kan strelen en vermaken, dat het mij zo achtenswaardig dunkt, wat mij dan dat grote gewicht der eeuwige heerlijkheid behoorde te wezen, waar de volheid der vreugden en liefelijk wezen is, altoos en eeuwiglijk, zonder einde. Aan de andere zijde, wanneer mij iets pijnlijks of moeilijks wedervaart, en dat mij zeer afschuwelijk dunkt te wezen, zodat ik aangevochten word om juist door het begaan van zonde, zulks te ontgaan, geef mij dan, o Heere! in die gelegenheid levendig te bedenken, hoe afschuwelijk mij dan die helse pijn en het eeuwige verdriet behoorde te wezen, welke ik mij door de zonde op den hals haal, en welke duizendmaal verschrikkelijker zijn, dan al wat mij in deze wereld verschrikkelijk kan ontmoeten. Temeer, daar dit ook gewis en zeker is, dat ik alle uren van de dag, ja elk ogenblik, hetzij ik in vreugde of pijn zij, of dat ik wake of slape, steeds met grote schreden voortga en mij haast en spoed naar het einde mijns levens; waarop dan die eeuwige uiteinden der toekomende wereld van eeuwige vreugde en heerlijkheid volgen, voor degenen, die hier een korte wijle tijds, uit Uw vreze en tot Uw eer, door de liefde van Christus en door de kracht des waren geloofs, zichzelf verloochend hebben, en daarentegen het eeuwige verdriet en al wat schrikkelijk is, voor degenen, die hier de zonden aangehangen, hun lusten geboet en naar het goeddunken huns harten geleefd hebben.
7. Och, Heere, Heere! druk dit terdege op mijn hart; doe mij het grondig verschil, dat hier is, zo wél beseffen, dat mij het tegenwoordige lokaas der zonde, der vleselijke promotie en der wereldse voordelen voortaan niet meer bedriege; dat ik ook niet langer iets, hetwelk met het gebruik vergaat, zóveel achte, dat ik daarom enig kwaad zou willen doen tegen Uw wil en voor Uw ogen, die de uiteinden der eeuwigheid in Uw hand hebt, zo ook der eeuwige vreugde en pijn, en dezelve uitdeelt naar Uw welgevallen.
Hoofdstuk 8
De bekommerde zondaar onderzoekt waaraan het hem mocht schorten, dat hij nog zo aan het tegenwoordige blijft hangen, en dat hij zich niet beter van ganser harte, ten allereerste tot God bekeerd.
1. Och, Heere, Heere! waaraan schort het mij toch, dat ik ook mede nog zo dwaas blijf, dat ik nog zo aan het tegenwoordige hang, terwijl ik nochtans daarop uit ben, om mij tot U te keren, en wilde gaarne uit den angst der wedergeboorte geraken?
2. Ja, Heere! het is mijn ongelovigheid, het is de verdorvenheid mijns harten, die het mij dus kwalijk doen hebben. Geloofde ik ten volle, zag ik door de ogen des geloofs aan de ene zijde de eeuwigdurende, onuitsprekelijke, heerlijke vreugde en genietingen des hemels, de bereid zijn voor al degenen, die, de tegenwoordige wereld verzakende, van harte zich tot U keren; zag ik aan de andere zijde de eeuwige, onuitsprekelijke, schrikkelijke pijnen en folteringen, welke bereid zijn voor al degenen, die hun harten tegen U verharden, en niet intijds bedenken, zich tot U te bekeren, - zo zou ik mij immers al anders en beter verkloeken, Heere! om de wereld te verlaten, en U aan te hangen.
3. Dan komt daar nog dit bij, dat, ofschoon ik van dit alles in mijn gemoed overtuigd worde, dit bedenken slechts door mijn hersenen heenvliegt. Het vindt daar geen zitplaats, het wortelt daar niet diep, het blijft daar niet doorgaans vast steken in mijn hart, om mijn gemoed daarmede alleen bezig te houden, te bewerken en te persen. En vandaar komt het mij dan ook, o Heere! dat dit bedenken van die twee grote uiteinden der eeuwigheid (ofschoon ik niet kan dan dezelve geloven) evenwel ook zulk een doorgaande, vastblijvende en onbewegelijke resolatie niet in mijn hart werkt, als het anders wel werken zou.
4. Anders, stonden die twee grote uiteinden der eeuwigheid recht levendig voor mijn ogen, zonken die gans diep in mijn hart, en ware het besef van die zo geweldig in mij, naar evenredigheid dat de zaken wel gewichtig in zichzelve zijn, - zo zou ik, o Heere! mij al anders geroerd en bewogen vinden, om in mijn goede resolutie tot het einde toe volstandig te blijven, wat mij daarin ook mocht of wilde verhinderen.
5. Kon ik dan daarbij mij ook nog levendig voorstellen (gelijk de zaak ook inderdaad gelegen is) dat het zelfs heden, deze dag, de laatste dag der genade zou kunnen wezen, waarin Gij mij Uw genade nog zoudt willen aanbieden, en op mijn bekering wachten, gereed zijnde om mij anders – zo ik heden Uw stem niet wilde horen – voortaan niet meer ter bekering te nodigen, noch toe te laten, maar mij aan mijns harten goeddunken over te geven, en mij al den overige tijd mijns levens (al leefde ik nog honderd jaren) op een verkeerde weg te laten wandelen, die niet goed ware en die mij ten laatste ten verderve zou brengen; zag ik dit alles klaarlijk, o Heere! bedacht ik dit alles wél; zonk dit alles diep in mijn hart; lag het daar, en wrochtte het aan mijn ziel en aan mijn geweten; ware dat daar bevestigd naar de gewisse waarheid en naar de gewichtigheid daarvan, - zo zou ik immers, Heere! niet langer meer durven, noch willen, een uur tijds, mij in enige zonde toegeven, of mijn ongeveinsde, hartelijk doorgaande, en oprechte bekering uitstellen; maar heden Uw stem horende, zou ik immers mijzelf ook heden gans verloochenen en aan U overgeven.
6. Ja, Heere! ik moet het bekennen; totdat ik mij al anders mocht gesteld vinden, dan ik nog ben, totdat ik mij vernieuwd bevinde in den geest mijns gemoeds, zo ben ik daarvan overtuigd, dat ik behoorde al de uren van den dag op U te gaan wachten, dat mijn hart vol zuchtingen behoorde te wezen, mijn ogen vol tranen, mijn mond vol smekingen om de vergeving mijner boze zonden en om de vernieuwing mijner bedorvene natuur. Ik behoorde gedurende al deze tijd in het klaaghuis te zijn; ik behoorde al mijn blijdschap in droefheid te veranderen, en geen vreugde mij meer te veroorloven, noch mij te laten aanleunen; totdat ik U, o levende Fontein der vreugde! Gevonden had, Dien toch mijn ziel moet liefhebben, of anders altoos en eeuwiglijk verloren gaan.
Hoofdstuk 7
De arme zondaar klaagt bitterlijk, dat het tegenwoordige, al is het vergankelijk, hem nog zozeer misleid in het betrachten van het toekomende dat eeuwiglijk duurt.
- Ik vind dit, Heere! dat het tegenwoordige lokaas der zonde mij allenthalve bedriegt, mijn hart verblindt en mij neerstort in de zonde. Och! hoe dikwijls word ik in de zonde verward door het tegenwoordige zoet gevoelen of verwachten van de eer, het voordeel, de vreugde, of door iets dergelijks dat ik uit de zonde meende te kunnen genieten.
- Ja, Heere! hiervan komt mij dat grote kwaad, dat ik, hangende aan het tegenwoordige, mij laat verrukken met hetgeen voorhanden is. Dat streelt mij dikwijls; dat bekruipt mij; dat vervoert mij; dat doet mij al mijn vorige besluiten vergeten; ja, doet mij somtijds wel het tegendeel besluiten en voor het tegenwoordige mijn voorgaand goed voornemen aan een zijde schuiven.
- Ach, Heere! dat ik nog zo blind, dat ik nog zo vleselijk, zo aardsgezind ben! Dat ik in het uur der verzoeking zo weinig kan bedenken dat het ganse tegenwoordige maar is om het toekomende, dat deze tegenwoordige tijd, met al wat mij daarin overkomt, met al wat ik daarin gewinnen kan of genieten mag, niets met al waard is, niets met al te achten is, dan in zoverre die wordt aangezien als een aangename tijd, als gezegende middelen ter zaligheid, om het toekomende te verzorgen.
- Ach! hoe blind en bot is ’s mensen hart, dat zich meer over de tegenwoordige zienlijke dingen bekommerd, die toch alle vergankelijk zijn, en niet overdenkt de toekomende onzienlijke dingen, die toch eeuwiglijk duren. Heere! behoorde de sterfelijke mens, zich niet billijk, in al zijn werken en gepeinzen, zó te gedragen, alsof hij heden sterven zou, en van stonde aan voor Uw oordeel gevoerd moest worden? Aangezien zulks toch gewisselijk wel heden geschieden kon, en althans, wat eerder of wat later, zekerlijk geschieden zal.
- O! hoe gelukzalig en wijs is ook die mens, die in zijn leven arbeid, om zodanig te wezen, als hij begeert gevonden te worden in zijn dood! En voorwaar als de ure des doods dáár is, begint immers de mens van zijn verleden leven al anders te gevoelen, dan hij wel deed, toen hij nog gezond en weelderig daarhenen ging; het is hem dan leed, dat hij de wereld zo heeft aangehangen, en dat hij U, onzen Heere God, niet geacht heeft. Hoe dwaas, hoe kwalijk bedacht is dan ook de sterfelijke mens, die nog zijn hart laat hangen aan de tegenwoordige aardse dingen, die allemaal met het gebruik vergaan!
Hoofdstuk 6
De verslagen zondaar erkent Gods grote lankmoedigheid jegens hem, en bekend zijn grote halsstarrigheid tegen God.
- Och, Heere, almachtige God! ik moet het bekennen, ik kan het niet loochenen, Gij hebt de maat Uwer lankmoedigheid over mij vol gemeten; Gij hebt mij lang en veel verdragen. Als ik U getergd heb met mijn boze zonden, zo hebt Gij mij nog met Uw goede zegen vervuld, beproevende of mijn boosheid eens door Uw goedheid mocht overwonnen worden; maar ik, o wee, wee mij! heb steeds Uw genade misbruikt tot wulpsheid.
- Zo zoudt Gij mij ook van nu aan billijk mogen verlaten; Gij zoudt mij van nu aan al Uw goede gaven mogen onthouden; Gij mocht billijk mij van nu aan al Uw goede gaven mogen onthouden; Gij mocht billijk mij van stonde aan nederleggen in het bad der ziekte naar het lichaam, in zware kwellingen naar de ziel, en mij Uw genade en troost onthouden, en alzo mij mijn lastig pak, dat ik mijzelf berokkend heb, alleen laten dragen. Ook den zware last mijner zonden, en mij alzo in wanhoop en vertwijfeling laten verwarren. Ja, Gij moogt, Heere! mij het zo laten besterven tot mijn eeuwig verdriet. Maar nog verschoont Gij mij; nog hebt Gij medelijden en geduld met mij; nog geeft Gij tijd van leven, o Fontein des levens! opdat ik mijn leven zou beteren, en mij van ganser harte tot U keren.
- Maar, ach helaas! Wat baat het een dwaas, dat hij geld in de hand heeft om wijsheid te kopen, zo hij toch geen vernuft heeft? Want toch, o Heere, mijn God! ofschoon ik klaar genoeg zie, dat het rechtvaardig bij U ware, mij gans te verdelgen, dewijl ik nog langer vertoef tot U te keren, en ofschoon ik ten volle overtuigd ben, dat ik derhalve met allen spoed, zonder een uur uitstel, mij heb te verkloeken tot een ongeveinsde volle bekering van mijn zonden, tot U; ja Heere! ofschoon ik uit volle overtuiging mijns gemoeds, dat het zo behoort, ook tegenwoordig ten volle schijn voor te nemen, zulke ook te willen doen, en dat ik nu voortaan wil gaan strijden tegen al mijn gebreken, en mij niet langer meer in enige zonde, groot of klein, bij wat gelegenheid het wezen moge, toegeven, - zo wordt nochtans daar niets met al van, zo sterk zijn mijn zonden mij aangebakken. Mijn zonden blijven mij aanhangen, en ik blijf mijn lusten aanhangen – en Gij, o God! Die alleen mijn al in alles behoorde te wezen, wordt vergeten.
- Ach, ach! hoe dikwijls heb ik mij voorgenomen, mij van deze of gene zonde te wachten, en hoe dikmaals heb ik mij telkens wederom daarin verward gevonden! Hoe dikwijls heb ik mij voorgesteld mij zo te matigen in mijn eten en drinken, dat ik daardoor in het minste niet mocht bezwaard worden, en heb evenwel mij telkens vergeten, als mij wat aangenaams is voorgekomen! Ach, Heere! hoe jammerlijk bedrieg ik mezelf, door de ongeschikte liefde, die ik mezelf toedraag, dat ik zo gaarne mijn vlees tot lust bezorg! Hoe menigmaal heb ik al wederom en wederom (zo vaak mij sterke gelegenheden daartoe gegeven werden) de ijdelheid nagegaan en U, mijn God, uit mijn achting gedaan, hoezeer ik ook het tegendeel had voorgenomen!
- Ach, Heere! hoe groot is de menselijke broosheid, die tot zonde geneigd is! Heden neem ik voor, mijn zonden te laten, en dezelfde dag doe ik dezelfde zonden wederom. Dit uur maak ik een opzet, van mij tegen deze en gene zonde te wachten, en een uur daarna verwar ik mij wederom in dezelve, alsof ik zulk een voornemen niet gehad had.
- Ach, ach! hoe onnut heb ik aldus mijn tijd doorgebracht, najagende een deel ijdele, nietige, vergankelijke beuzelingen dezer wereld, die van geen waarde zijn, die mij haast zullen ontnomen worden, zelfs in dit leven, daar ik althans van zal genomen worden in den dood; en ik heb ondertussen dat grote gewicht der eeuwige heerlijkheid verzuimd, waar het al op aankomt.
Hoofdstuk 5
De verslagen zondige mens, nu vastelijk voorgenomen hebbende, zichzelf tot God te bekeren en de Heere Jezus bovenal te zoeken, belijdt zijn zonden voor God.
- Och, Heere, God Almachtig! Hoe heb ik geleefd! In wat voor wegen heb ik gewandeld! Waar zijn tot nog toe mijn zinnen geweest! Hoe heb ik zo betoverd kunnen zijn! dat, daar ik het alles van U heb, Heere! ik nog zo weinig aan U gedacht, op U nog zo weinig gelet, naar U zo weinig omgezien heb! Heere, ik kan het niet loochenen, ik moet het bekennen tot mijn schaamte, tot Uw eer, dat, ofschoon ik mij uiterlijk fijn en wel gedragen, en voor de wereld een geschikt burgerlijk leven heb geleid, gelijk mijn buren, ik nochtans voor Uw ogen geleefd heb, als zonder God in de wereld, even alsof Gij de geringste van de wereld geweest waart, naar Wie ik het minst te vragen en op Wie ik het minst acht te geven had.
- Ja, ik heb doorgaans daarheen geleefd, alsof ik zonder U wel leven kon, alsof ik zonder U wel leven kon, alsof ik mijn dingen zonder Uw hulp wel verrichten kon. Ik heb mijn dingen alleen bij mijzelf gedaan, zonder Uw raad, zonder Uw zegen met een ernst en bewegingen, gelijkmatig aan de grootheid van mijn nood en naar de waardigheid van Uw Majesteit, bij U te zoeken. De loop der wereld, de lust mijns vleses en mijn eigen goeddunken en wellust zijn de leidslieden geweest, die ik doorgaans in mijn bedrijf gevolgd heb. Zo kunnen ook mijn slaapkamer, mijn bed en andere plaatsen, daar ik mij alleen bevonden heb, tegen mij getuigen van de weinige eerbied, o Heere! Almachtige God! die ik voor Uw hoge Majesteit gedragen heb. Hoe dikmaals heb ik verzuimd U te bidden! En als ik nog ’s avonds of ’s morgens mijn gebed voor U heb aangevangen, ach, Heere! hoe flauw, hoe slecht heb ik het gedaan! Meer om gedaan te hebben, dan dat ik gevoelde, dat ik zulks van node had, of dat ik groot heil daarvan verwachtte, of in het hart geraakt was, om zulks met alle mogelijke ernst en opgetogen gemoedsbewegingen en krachten te doen.
- Hoe weinig ik ook in Uw dienst deed, zo liet ik mij nochtans voorstaan, dat ik al veel gedaan had; zo gering, zo nietig waart Gij, o grote God! in mijn ogen. Als ik maar wat meer naar de kerk kwam (al deed ik zulks maar uit gewoonte, zonder enige vurigheid des geestes), of dat ik mij wat naarstiger oefende in het lezen van Uw Woord, of mij wat gestadiger ’s morgens en ’s avonds tot het gebed begaf, dan ik wel mocht bemerken dat sommige van mijn buren deden, zo was ik verwaand in mijzelf, en liet mij voorstaan, dat ik, ja, gewisselijk, een fijn, Godzalig christen was, waar ik echter (zulks zie ik nu ook wel, o Heere!) vrij verre, verre van af was.
- En dit ging mij allemaal alzo: Want Gij, grote God! waart zo gering in mijn ogen, dat ik mij kon laten voorstaan, dat, hoe slecht en hoe flauw ik U ook diende, als ik U maar niet geheel vergat, ik al genoeg gedaan had; maar nu zie ik wel, o Heere! dat al waren mijn krachten nog duizendmaal meer en beter geweest, en al had ik die gehele dagen en nachten ingespannen gehouden, om U te loven, te prijzen, groot te maken en om Uw werk en Uw dingen te doen, zo zou ik nog het tienduizendste deel niet gedaan hebben van hetgeen ik schuldig was te doen, elke dag, elk uur, in Uw allerkostelijkste dienst.
- Dan heb ik nog – zulks kan ik mij, o Heere! nu nog wel herinneren – die boosheid daarbij gehad, dat ik bijna al Uw heilige godsdiensten, die ik ooit ter hand heb genomen, met een scheef oog en met snode achting op mijzelf, of op de wereld gedaan heb; en zulks doorgaans meer, omdat ik ook anderen zo heb zien doen, en dat het zo de gewoonte en de sleur was, dan dat ik zulks zou betracht hebben uit een gevoelige consciëntie, uit een heilige ijver voor de ere Uws Naams; terwijl mij nochtans in alle opzichten behoorde zulks te doen.
- Wanneer ook, o Heere God almachtig, Die alleen alle eer en gehoorzaamheid waardig zijt! Uw dingen in mededinging gekomen zijn met mijn eigen dingen of met die van mijn vriend, zo heb ik doorgaans Uw zaken doen wijken en plaats gegeven voor mijn bedrijf, en Uw zaken niet verder of langer gehandhaafd en betracht, dan voor zover ik zulks heb kunnen doen zonder slag of stoot, zonder verstel of ongemak van mijn eigen zaken. Zo ver ben ik er vanaf geweest, o Heere! dat ik al Uw dingen boven alle andere met de meeste ernst, de grootste trouw en naarstigheid, van ganser harte, van ganser ziel, van gansen gemoede en met alle krachten altijd zou gedaan hebben; terwijl ik echter schuldig was dit te doen.
- En ondanks dat, Heere! zulks kan ik mij nu ook zeer wel herinneren, en ik schaam mij daarover nu ook zeer – dat ik het zo slecht gemaakt heb, zo heb ik evenwel geen leedwezen daarvan gehad. Ik heb dit steeds onverstoord en onbekommerd gedaan, en heb mijn hart daarover noch bedroefd, noch bekreund. En waar Gij, grote God! hooggaande en zware beschuldigingen over dit alles tegen mij kon inbrengen, en mij ten volle overtuigen dat ik tienduizend pond aan U verschuldigd was, en de eeuwige dood en de eeuwige verdoemenis over verdiend had, zo ben ik evenwel lichthartig en dartel geweest, alsof daar niets van Uwentwege tegen mij kon ingebracht, of dat mij niets ten laste kon gelegd worden.
- En ondertussen dat ik mij zo schandelijk voor Uw ogen, Die in het verborgen zien, tegen U, mijn God, gedragen heb, zo hebt Gij mij nog – zo groot is Uw genade geweest naar mij toe, en daarom is ook mijn zonde tegen U te groter! – lankmoediglijk verdragen. Gij hebt mij nog onderhouden; Gij hebt mij nog dagelijks verzorgd met hetgeen ik van node had, en mij nog zo lang laten leven; terwijl ik duizend- en duizendmaal, door mijn gruwelijke zonden en schandelijke oneerbiedigheid en kleinachting tegen U, mijn God, al overlang verdiend had, voor altoos en eeuwiglijk van Uw aangezicht verdelgd te worden.
Hoofdstuk 4
De zondige mens besluit bij zichzelf, dat zijn ware gelukzaligheid alleen in God te vinden is door Jezus Christus, onze Heere, en neemt voor, Dien bovenal te zoeken.
- Aangezien wij dan, mijn ziel! het ware genoegen noch in ons, noch buiten ons, nergens in de wereld vinden kunnen, zo blijft daar niets anders over, dan dat gij u oplicht boven uzelf, boven alles dat de wereld genoemd wordt, en dat gij het gaat zoeken in Diegene, in Wiens rechterhand verzadiging der vreugde en lieflijkheden zijn altoos en eeuwiglijk; ja, in de grote God, Die alle dingen uit niet geschapen heeft, en nog onderhoudt; Die meerder is dan alle; Die het alleen is; Die hoog en oneindiger wijze verheven is boven al wat de wereld genoemd wordt, boven alle schepselen, boven het koor der engelen, boven alle lof en dank, boven al wat wij kunnen begrijpen of verzinnen; die daar is een volle zee, een springende fontein van al wat schoon, van al wat heerlijk, van al wat lieflijk, van al wat wenselijk, van al wat begeerlijk is; Die, ja, is, de levendige Springader van alle ware vreugd, vergenoegen en genot; Die daar heeft vertroostingen, overschrijdende alle zwarigheden, verzoetende alle bitterheden, verdovende alle pijnen en kwellingen; Wiens gunst daarom beter is, dan het leven; Wiens toorn verschrikkelijker is, dan de dood; Die als wij slechts hebben, wij niet behoeven te vragen naar de hemel of aarde; Die als wij missen, noch hemel noch aarde, noch al wat er in is, waar vergenoegen ons kan toebrengen.
- Och, och! mijn ziel! dit, dit moet diep door u bedacht worden. Want de Heere, onze wijze en genadige God, heeft de gelegenheid van de dingen dezer wereld daarom zo geschikt en gevoegd, dat geen van die allen, ja zelfs die allen tezamen, de mens enig waar en bestendig vergenoegen kunnen toebrengen; opdat Hij namelijk de mens door dit beleid als met een geweldige arm, van de hemel uitgestrekt, krachtiglijk zou afleiden van de liefde van alle aardse dingen, waarin toch geen waar vergenoegen te vinden is, en heenleiden tot Zijn eigen hoge Majesteit, om daar de ware gelukzaligheid te zoeken en te vinden, die toch in de wereld tevergeefs gezocht wordt.
- In deze onze goede en genadige God, Die dus Zichzelf ons opdraagt, moeten wij dan ons genot en vergenoegen zoeken. Die ook Zijn eigen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Zo beleven wij ook nu, mijn ziel! deze gezegende tijden, waarin de Zoon Gods Zich in het vlees geopenbaard heeft en in de wereld gekomen is, om ons van deze tegenwoordige boze wereld te verlossen, met God te verzoenen en alzo zalig te maken, dat verloren was.
- Och, mijn ziel! Laat ons dan dit terdege bedenken en laat het ons toch ook al genoeg wezen, dat wij steeds in de dagen onzer onwetendheid, blindheid en onbekeerlijkheid, de wereld gediend en onze God vergeten hebben. Het moet ons billijk genoeg wezen, dat wij dus lang de lusten onzes vleses gevolgd hebben. Het moet ons, ja, al de wereld genoeg wezen, dat wij dus lang en dus veel ons in de begeerlijkheden onzes vleses toegegeven hebben. Het is nu hoog tijd, dat wij de tijd, die nu nog over is, niet langer meer naar menselijke begeerlijkheden, maar naar den wil Gods gaan leven.
- Welaan dan, mijn ziel! hebt gij ooit iets met ernst, met gedurige naarstigheid en gestadige aanhouding in de wereld gezocht, zo zoek nu immers even ernstig, en nog veel meer, uw enige Heiland en Zaligmaker, de Heere Jezus Christus, en geef uzelf geen rust, totdat gij Hem gevonden hebt, Die alleen uw hoop, uw leven en uw zaligheid is.
Hoofdstuk 3
De zondige mens overlegt verder zijn eigen ijdelheid, en hoe onmachtig hij is, om zichzelf ware gelukzaligheid te beschikken.
- Dus blijkt het dan, mijn ziel! dat gij elders, dan in deze tegenwoordige bedrieglijke wereld uw ware gelukzaligheid moet zoeken, meent gij die anders ooit te vinden. Wat dan? Aangezien wij het in de wereld niet kunnen vinden, zullen wij het in onszelf gaan zoeken? Zullen wij bestellen al wat wij hebben; zullen wij in één vergaderen al onze krachten, en alzo op onze eigen bodem gaan rusten? Zullen wij dan ook, met de roemzuchtige filosofen, vermetellijk zeggen, dat hetgeen buiten en boven ons is, ons niet raakt; dat wij ons geen van die dingen moeten aantrekken, maar ons genoegen en genot alleen in onszelf zoeken, opdat wij mochten, als een vierkant blok, hoe wij ook geworpen, of geslingerd worden, hoe de dingen ook al gaan, altijd op ons plat vallen, en leren zo wel op onszelf steunen, dat ofschoon de gehele wereld, in stukken gebroken, zich over ons hoofd wilde uitstorten, zij ons onbevreesd zou vinden en onberoerd aantreffen? Zullen wij onszelf met deze ijdele bespiegelingen der heidenen paaien, welke voorwaar niet langer duren, dan het ons naar den zin gaat, en terstond verdwijnen, zo haast ons enig nagaand verdriet van buiten treft, of van binnen aan het hart komt, wat grimassen, mienen of schijn van standvastigheid wij, om onze eer te bewaren, ook dan nog mochten maken?
- Och nee! verre zij van ons zulk een vertwijfelde vermetelheid. Wij weten, of behoren te weten, dat al het dichten en pogen van onze eigen harten boos is; kan men dan ook wel iets goeds trekken uit hetgeen, dat zo verdorven is? Zullen wij dáár vergenoegen en genot kunnen vinden, waar valse ijdelheid en zonde overvloeien? Staat het niet met ons alzo, dat wijzelf van nature, gelijk de jammerlijkste ervaring ons dat dagelijks maar al teveel leert, datgene gemeenlijk meest van ganser harte najagen, wat ons meest schadelijk is, en daarvan afgekeerd zijn, wat ons meest nut en oorbaar is? Moeten wij niet als met roeden van jongs aan afgedreven worden van hetgeen ons bederft? Heengedreven worden tot hetgeen ons mocht behouden? Zo ver zijn wij dan, van ooit door onszelf in onszelf waar genot en genoegen te zullen vinden, want ook het beste, dat in ons is, zelfs ons eigen bedenken, beleid en verstand, is vijandschap tegen God en tegen onszelf.
- Ja, het is de waarheid, en het moet ons doen verschrikken, als wij daaraan denken, hoe meer de arme mens vergenoegen in zichzelf kan vinden, hoe erger en ongelukkiger hij daaraan is. Want dit toch is de aard en natuur van ons, arme, verdorven mensen, dat hoe veel te meer wij ons in de ijdelheid kunnen verheugen, des te minder plegen wij het gebrek van het gewisse ware goed (dat ons toch alleen gelukzalig kan maken) te gevoelen; en bekommeren ons alzo des te minder daarover, dat het ware goed ons ontbreekt, hoeveel te meer wij ons kunnen verheugen in de ijdele schaduwen, die ons bij de hand zijn; waardoor het dan gebeurd, dat, terwijl wij ons met die bedrieglijke schaduwen tevreden stellen, wij den aangename tijd verbeuzelen, om het ware lichaam zelf te bejagen.
- Wij moeten dan niet menen, waar genoegen of genot in onszelf te vinden, aangezien in ons niets goeds woont; maar, zullen wij het ware vergenoegen ooit bekomen en vinden, dan moeten wij uit onszelf gaan; onszelf moeten wij, ja, verloochenen; onze eigen wil, ons eigen verstand en het beste dat in ons is, moeten wij ook allen doen buiten staan, zal het ons welgaan.
Hoofdstuk 2
De zondige mens gaat voort in het overleggen van de ijdelheid der wereldse dingen, en bevindt, dat er ook geen hoop is, om voor het toekomende enig waar vergenoegen daarin te vinden.
- Mogelijk hoopt gij, het zal nog beteren; gij zult uw zaken met meerdere voorzichtigheid voortaan gaan beleggen. Maar gedenk toch, gij hebt dat meermalen gehoopt, en zijt altoos bedrogen geweest. Want heb gij ergens enig vergenoegen in gehad, hetzelve is u óf haast onttrokken geworden, óf uw vergenoegen in hetzelve is haast verdwenen, en u is niets overgebleven, dan een boeteloze klacht van verloren moeite en tijd. Ja, denk toch, zijn niet wel dikwijls juist die dingen, waarin gij u het meest pleegt te verheugen, u tot uw meeste droefenis en kwelling gekeerd? Uw eer, uw erve, daar gij zo op stond, uw lieftallige vrienden, uw aangename familieleden, die gij zo liefhad, en die weleer de meeste verkwikking uwer ziele waren, als die u zijn ontvallen (gelijk dat dikwerf velen gebeurd), hebt gij dan daaruit niet zoveel te meer droefenis en kwelling gehad, hoe veel meer vreugde en vermaak gij tevoren daarin schepte? Hoe merkt gij dan daaruit niet, dat de Heere onze God een vermaak heeft (opdat Hij ons van de wereld afspeende), zo nu en dan telkens enige bitterheid in de zoetste dingen, die wij hier in deze wereld genieten kunnen, te druppen? Dit bevinden wij immers alle dag. Hoe gaat gij dan niet eens in uzelve, en bedenkt terdege, dat het maar enkel bedrog en toverij is met de liefde der wereld en met de dienst, die men daartoe besteed? U behoeft maar één ding te ontbreken, om dingen te verbitteren, die gij anders in grote overvloed mag bezitten. De ontsteltenis van één tand in uw hoofd kan de heerlijkheid en heugelijkheid verdoven van duizend en duizend gewenste dingen, die gij nog geniet; en wie is er toch zo gelukkig in de wereld, wie niets ontbreekt?
- Zo is het ook zeker en gewis, dat niet het vele hebben of bezitten der aardse dingen het ware genoegen en het geruste leven aanbrengt. Want de ervaring toch leert zeer klaar, dat er bij diegenen, welke grote goederen en staten in deze wereld bezitten, en bij diegenen, welke bijna van alles gebrek lijden, evenwel nu vreugde, dan droefheid te vinden is. Nu gaat het hun dus, dan zo; en dat alles gaat hun alzo, net naar dat zij veel of weinig in de wereld hebben, maar naar dat hun gemoed gesteld is; dat is: naar dat er wat bitterheid of wat zoetigheid door een onzienlijke hand en heimelijke kracht in die dingen, welke zij hebben, gedropt wordt. En voorts is nog dit de waarheid: dat de gewoonte ook alle uiterlijke dingen, tussen groten en kleinen, ook al effen maakt. Eén, die gewend is, lekker te eten, fraai en warm gekleed te gaan en van elkeen geëerd te worden, die smaakt een kapoen, noch bevalt een zijden bonte rok, noch vermaakt het nijgen en buigen van velen, niet beter dan een gering mens zijn kaas en zijn brood, zijn ruige pij en de vriendelijkheid, die hij bij zijn eigen huisgenoten vindt. Ja, is niet, boven al datgene, hetwelk gezegd is, het vermaak, dat een mens heeft, die nu een gezet leven begint te leiden, allermeest gelegen in de zoetigheid van zijn vrouw, van zijn kinderen, en van zijn naaste familieleden en bekende hartelijke vrienden? Maar leert ook niet de ervaring gans onwedersprekelijk, dat de gemene lieden al zoveel zoetigheid, vriendelijkheid en ongeveinsde goedhartigheid plegen te vinden in hun vrouw, kinderen, vrienden en familieleden, als de groten en de machtigen dezer wereld? Zodat het ook waarlijk maar enkel bedrog is van de wereld, en enkele dwaasheid in ons mensenkinderen, dat wij nog al liever onze gelukzaligheid zoeken in het verkrijgen van vele wereldse goederen, daar nog veel groter moeite in steekt, dan in het besnijden van onze begeerlijkheid, waaruit al onze onrust ontstaat, en door welker demping wij de meeste rust hebben zouden.
- En hebt gij misschien zelf zulk een levendige bevinding over al deze dingen in uzelf nog niet gehad, zo luister slechts een weinig naar mij, wat er in de wereld omgaat, en gij zult overal een grote menigte van rijken en armen, van groten en kleinen, boetelooslijk en sommigen ook wel ongeduldiglijk over het bedrog der wereld horen klagen, en dat zij zo kwalijk, voor al hun naarstige dienst aan de wereld besteed, vergolden zijn, en nog zult gij evenwel dezelfde lieden (als zijnde gans krachtiglijk betoverd) even dewijl zij zo klagen, de wereld nog evenzeer zien aanhangen en dienen. Zulk een gans zeer bedrieglijk ding is de wereld; zulk een kracht der verleiding werkt daarin; zo zijn de lieden daardoor betoverd! Hebt gij dan ooit voor tovenaars en tovenaressen geschroomd, hoe ziet gij niet, dat gij nog veel meer tegen deze allergrootste tovenaar, de wereld, u te wachten hebt?
- Maar, mijn ziel! genomen, het ware zo, dat de wereld nu voortaan in het uitvoeren van haar beloften getrouw wilde zijn, nog zoudt gij zwemmen in een woelende zee, en ongestadig zijn in al uw wegen; nog zoudt gij uw levenstijd in verdriet of ongenoegen doorbrengen, zo gij dien in de dienst der wereld besteden wilde. Want hebt al wat de wereld kan geven, en gij zult terstond nog meer kunnen bedenken, dat ook begeren, en ontevreden wezen dat gij het niet hebt. De grootste wellust, het rijkste inkomen, de treffelijkste eer, die de wereld u kan aanbieden, kan verkleind, ja vernietigd worden door uw onbepaalde begeerlijkheid. Heb alleen voor uw hoofd de ganse wereld met al dat er in is, laat alles staan tot uw gebied om u te behagen, dat ik gezwijge dat de pijn van één tand u dat al zou doen vergeten en verfoeien, zo is nog de breedte en de lengte, de diepte en de hoogte uws gemoeds zo groot, dat gij kunt boven deze wereld tienduizend andere werelden versieren, en uw begeerlijkheid zo onbepaald, dat gij dezelve ook kunt gaan wensen en ongerust zijn, dat gij daarvan geen meester kunt wezen. Want, o ziel! gij hebt nog enige overblijfselen van het beeld Gods in u; en daarom kunnen u in eeuwigheid geen onbepaalde dingen ten volle vergenoegen. Gedenk ook dat de aarde, met al wat er in is, om der zonden wil vervloekt is; en hoe zouden dan de dingen, die in derzelver eigen aard en natuur om uwentwil vervloekt zijn, u enige ware verkwikking, troost of vergenoeging toebrengen?
- Gij hebt ook zelf immers in de vorige loop uws levens, het beste, het uiterste, dat de wereld u geven kan, genoeg beproefd; gij hebt het gesmaakt, gewogen – en ondervonden allemaal niets dan ijdelheid te zijn; gij zijt immers ten volle gewaar geworden, dat hoe wél gij het ook hebt kunnen maken, het, ten schoonste genomen, maar een mengsel en een gedurige afwisseling van vreugde en droefenis geweest is, dat, ja, het uiterste hetwelk gij ooit in de wereld hebt kunnen najagen, of het beste dat de wereld u heeft weten toe te brengen, u nooit ten volle heeft kunnen vergenoegen. Waarom wilt gij dan langer uw vergenoegen zoeken dáár, waar het niet te vinden is? Is dan hierin enig vermaak, dat men steeds verlorene moeite doet?
- Maar neemt, dat gij zo verbasterd waart, dat gij uzelf zou kunnen tevreden stellen met dingen, die minder waardig zijn, dan gij zelf zijt – want weet dit, mijn ziel! dat gij geschapen zijt om over alle aardse schepselen te heersen – nog kan die uw jammerlijkste verandering u geen waar vergenoegen in het genieten van deze aardse dingen toebrengen, want de wereld vergaat en haar begeerlijkheid. Voor een korte tijd zoudt gij dan alleen mogen tevreden zijn, even slechts zo lang, als die uw zo vergankelijke dingen bij u zijn en uw tegenwoordig leven duren mag; maar nog kan u dat niet vergund worden. Want de onzekerheid, hoelang het u zou mogen gebeuren dezelve te genieten, zou nog altoos een knagende worm wezen, die u ongerust zou maken, wanneer u telkenmale zouden voorkomen dusdanige gepeinzen (als hatelijke vliegen uw rust storende): “Deze dingen kunnen haast van mij genomen worden; immers het is zeker, dat ik eerlang van dezelve gerukt zal worden; die onversprekelijke deurwachter, de dood, is reeds op weg, om mij te dagvaarden; hij volgt mij al op de hielen; ja hij staat al, en klopt aan mijn deur: Wat zijn mij dan al deze dingen, dewijl ik toch sterven moet?”
- Zo is dan voorwaar het ware vergenoegen in de dingen dezer wereld niet te vinden, en het is voorzeker niet dan de listigheid des listigen satans, dat hij ons arme mensen zo weet te werk te stellen om ons genot, heil en geluk in die dingen te zoeken, waarop hij wel weet dat het niet gelegd, of te vinden is, opdat hij ons zo al verloren moeite deed doen, ja opdat wij zo, terwijl wij daarmee bezig zijn, zelfs mochten verloren gaan. Want, voorwaar, terwijl de mens de bedriegelijke schaduwen der aardse begeerlijkheden nagaat, valt hij geredelijk in de verschrikkelijke put des eeuwigdurenden verderfs.
Hoofdstuk 1
De zondige mens overlegt bij zichzelf de ijdelheid der wereldse dingen, en dat hij tot nog toe geen waar genoegen daarin heeft kunnen vinden.
- Mijn ziel! wat mijmert gij aldus? Wat verdwijnt gij in uw ijdele gedachten? Laat het u genoegen, dat gij den voorgaanden tijd uws levens den wil der wereld gedaan, de begeerlijkheden uws harten gevolgd hebt; en open nu nog ten laatste uw ogen, terwijl het nog tijd is, terwijl het nog de dag van heden is. Bemerk, dat al de dingen der wereld niet dan bedrog of ijdelheid zijn, welke in de eeuwigheid u niet zullen, noch kunnen vergenoegen.
- Vorige ervaring heeft u genoeg geleerd, dat al de beloften en giften der wereld niet dan verdwijnende rook, niet dan bedrieglijke schaduwen zijn, of ook erger, evengelijk het Egyptische riet, hetwelk een iegelijk, die steunende meent daarop te rusten, den arm doorboort en ter aarde doet vallen. Hoe kunt gij dan langer die bedrieger geloven? Hoe durft gij u dan nog op haar verlaten? Waarom zoudt gij nog langer met haar handelen? Men pleegt immers zulken te schuwen, die ons te loos zijn, die ons bedriegen. Gij weet immers wel dat gij nooit enige onvervalste waar van de hand der wereld ontvangen hebt. De wereldse vreugde, die gij genoten hebt, is, óf vermengd, óf terstond op de hielen gevolgd, door kwelling, ongenoegen en verdriet. De wereldse eer, die gij hebt genoten is nooit geweest zonder opspraak van sommigen en jaloersheid, haat en nijdigheid van anderen. De overvloedige goederen der wereld, die gij moogt verkregen hebben, zijn u dikmaals meer gelegenheden van overvloedige bekommernissen geweest, dan van waar vergenoegen. Nooit hebt gij ook iets juist zo bekomen, als gij het wel wenste. Of is u dit ooit gebeurd, dan was uw wens gegroeid of veranderd, en gij zijt zonder vergenoegen gebleven.
- Hoe is het ook mogelijk, dat gij enig waar vergenoegen in de dienst der wereld zoudt erlangen, aangezien de God dezer wereld de geest der onrust en des ongenoegens zelf is? Zulken meester dan, als gij dient, zulken loon hebt gij te verwachten. Zoudt gij hieraan nog twijfelen? Gedenk den vorigen loop uws levens: zie eens hoe het u tot nog toe gegaan is; overpeins eens diep, wat gij den ganse tijd uws levens toch al hebt bekomen, terwijl gij de wereld gediend hebt. Gij zijt nu reeds zo lang in de wereld geweest, wat heeft het toch te beduiden, dat gij in tien of twintig, in zovele jaren uitgericht hebt? Gij hebt gegeten, gedronken, geslapen, opgestaan; gij zijt gezond, gij zijt ziek geweest; gij hebt gekocht, verkocht, gesproken, gezwegen, geschreid, gelachen; gij zijt nu vrolijk, dan droevig geweest; gij hebt nu schade, dan voordeel gedaan; en waarop is dit alles nu, ten einde van zovele jaren, uitgekomen? In goede trouw, nu zulks alles voorbij is, wat is het anders, dan zonde, berouw en ijdelheid, dat er overschiet?
- Maar, gij hebt misschien in dezen loop uws levens wat aardse goederen vergaderd, enige bediening of staat bekomen, en die zijn u misschien nog bijgebleven; gij zijt misschien nu veel rijker, dan gij voor enige jaren waart; maar och, arme! Wat is dat? Is uw leven niet beter dan de rijkdom, dan uw staat? Als gij dan wel toegenomen zijt in aardse rijkdommen of staat, en zijt evenwel afgenomen in den edelen en kostelijke tijd uws levens, is dat ook niet al schade voor de hand geweest, zo gij ondertussen niet anders, in verloop van uw allerkostelijkste en edelste leven, dan aardse en vergankelijke dingen verkregen hebt? Moet gij ook niet bekennen, dat zelfs de eer, de rijkdommen, die gij nu meer moogt hebben dan te voren, u ook slechts meer bekommeringen aangebracht hebben? Zo gans jammerlijk en tevergeefs wordt de edele, allerkostelijkste tijd dezes vergankelijken levens, waaraan toch de eeuwigheid hangt, in de dienst der bedriegelijke wereld versleten!
Voorrede van de schrijver
Aan de Godzalige Philothea,
Een uitverkoren vrouw zei mij eens, dat zij aldus aangeleid was tot de betrachting der wedergeboorte:
Haar overkwam een sterk gepeins, hoe dat de Zaligmaker der wereld Zelf tot Zijn eigen volk zeide, dat weinigen onder hen zouden zalig worden. Daaruit besloot zij, dat die weinigen, welke zalig zouden worden, dan ook, boven al de overigen, een zonderling volk moesten wezen. Dit sloeg haar hart. Zo dacht zij verder: “Ik heb tot nog toe mij laten voorstaan dat ik zou zalig worden; maar wat vastigheid heb ik daarvan? Wat ben ik zonderlings boven de gemene slag van mensen, daar ik mij op zou kunnen verzekeren, dat ik één van die weinigen ben? Ik leef slechts, gelijk de gemene menigte des volks doet. Ik wilde wel zalig worden; zij ook. Ik gedraag mij zo burgerlijk; de gemene menigte des volks doet ook zo. De doorbrengers en roekelozen zijn maar weinigen, in vergelijking van diegenen, die daar zo burgerlijk heenleven. Ik ben oprecht in mijn handel; anderen zijn het ook jegens mij: van hen, die anders doen, spreekt al de wereld schande. Ik ben sober en zedig, ook in maaltijden; andere vrouwen zijn het ook. Ik ben noch hoer, noch dievegge; het zijn niet dan uitmuntende in boosheid, die zo doen. Ik ben voor geen gemene klapster of hoer bekend; vele, slechts burgerlijke matronen, zijn daar ook vrij van. Ik ga ter kerk, ik lees een kapittel, ik zing een Psalm; anderen doen het ook zo, als het te pas komt. Wat ben ik dan zonderlings boven andere mensen, dat ik mij zou verzekeren, één van die weinigen te wezen, die zalig zullen worden?”
Ziet, deze verontrustende gedachten had zij binnen in haar, en God de Heere had gedachten des vredes over haar. Zij dacht dat, en God wrochtte daaronder en zij wist dat niet. Immers hierdoor werd zij meer en meer aan het hart geprikkeld, om haar wedergeboorte terdege te betrachten: en dat geschiedde ook zo gelukkiglijk, dat zij door Gods genadige werking nu in de genade Gods staat, en is nu reeds getroost geweest, daarom vele versmaadheden te lijden.
Ach! of God zulke gepeinzen en zulke betrachingen aan vele duizenden mensen gave, die nu nog al onbekommerd daarheen leven, en de hoop der zaligheid in zich voeden, welke nog nooit aan het dal van Achor, Hos. 2:14, Jes. 7:25, aan de deur der hoop, zelfs niet tot de uiterlijke betrachting der ware wedergeboorte gekomen zijn.
Nu, het wezen van een wedergeboren christenmens begrijp ik hierin bijzonder gelegen te wezen: dat wij alleen in den Heere Christus onze zaligheid zoekende door het geloof, voorts zijn in een gedurige beweging tot God, en in een oprechte betrachting, om al Zijn geboden te houden; gevende daartoe naarstig acht, al den dag lang, waar enige zonde of enig gebrek ergens in ons leven of hart uitbreekt; en zijnde daartegen bij de werke, om ons zelve daarover te vernederen voor God; en door de toe-eigening der verdiensten van Christus, ons te verzoenen met God; met een ongeveinsd voornemen, om een andermaal daartegen beter op onze hoede te wezen.
Of nu tot deze gestalte nog bijkomen grote vertroostingen of grote kwellingen, dit doet tot het wezen der nieuwe creature zelf niets. Want die uitbrekingen van troost of ontroost, gelijk ze ongestadig zijn, zo kunnen zij ook wel bedrieglijk wezen – zoals de ervarenheid leert –; maar dat gedurig druppen der heilige bewegingen tot God en der betrachtingen van den wil Gods in Christus, gelijk het niet gemeen is aan den gemene slag der mensen, zo is het ook een treffend bewijs dat het leven Gods en de wortel der zaak, Job 19:28, zelfs de Goddelijke natuur daar is: want anders in een onwedergeboren hart verdorren die heilige bewegingen en betrachtingen welhaast, als geen wortel hebbende; maar in dit brengen zij vele vruchten voort, Matth. 13.
Hiertoe nu moet nog dit bedacht worden, dat geen dingen, die gemeen zijn aan degenen, die nog verloren gaan, ons verzekering kunnen doen, dat wij wedergeboren zijn. Zo is ook dit een gans droevig teken van een mens, die nog in het vlees is; als de mens geen besef heeft, 1. Van Gods grote majesteit, 2. Van de verschrikkelijkheid der zonde en der verdoemenis, 3. Van de heerlijkheid der Godzaligheid en des eeuwigen levens. Want toch dit is de wijze onzes Gods en de weg over Zijn kinderen, dat Hij aan niemand Zijn schone hemel hiernamaals geeft, aan denwelke Hij niet tevoren hier op aarde een levendig besef van de hemel en een groot bewegen over denzelven gegeven heeft. Daarom is ook, aan de andere zijde, dit een zeer goed teken, dat de Heere gedachten des vredes over ons heeft; wanneer ons hart naar den hemel begint te trekken, zacht, gedwee, buigzaam en meegaande begint te worden tot de geestelijke dingen, en een hart, liefde en toegenegenheid tot Christus krijgt; want uit die beweging komt de betrachting der ware bekering voort. Vandaar pleegt, ja, het werk der zaligheid aan te gaan, en dat met zulken ernst, dat het al onze krachten en zinnen medesleept en tot dat werk neigt; want zo gaat het met de mens, hoe beter de geliefde is, des te sterker is ook zijn liefde en genegenheid. Als wij een persoon liefhebben om tijdelijke oordelen, zo is onze liefde te sterker, hoeveel te meer tijdelijk voordeel wij daaruit verwachten. Maar zo dan nog de beschouwing van voordeel naar de ziel daarbij komt, hoe sterker dat dan nog onze liefde en genegenheid wordt, des te min kunnen wij ons dan ook bedwingen of weerhouden. Zo overtreft de liefde dergenen, die ook aan Christus verbonden zijn, alle liefde en genegenheid, van wien het ook anders wezen mocht, 2 Sam. 1:26. Maar nu, dit is, op de hoogste wijze in den Heere Christus te vinden; hetwelk dan zo in Christus Jezus tezamen komende, wonderbaarlijke genegenheden en driften tot de Heere Jezus Christus verwekt, in een hart, dat daarvoor vatbaar begint te worden, en schone en sterke betrachtingen tot Christus voortbrengt.
Zulks hebben wij getracht in dit traktaatje voor te stellen, en hebben daarin gezocht de harten tot deze buigzaamheid aan de geestelijke aansporingen te bewegen, en hen, die alrede enigszins daartoe bewogen zijn, nog daarin te vorderen.
Wij drukken hier de hoogste roeringen niet uit, die wij wel in sommigen gemerkt hebben in den angst der wedergeboorte; maar die wij enigszins in onszelf gevoeld en voorts in vele anderen bespeurd hebben, - welke met haar veranderingen van troost en ontroost, die in deze gelegenheden gaan en komen, meest algemeen zijn aan al degenen, die door de angsten der bekering tot ware wedergeboorte gebracht worden.
Zo is nu ook onzes harten wens tot God, dat God de Heere alzo, en nog veel meer, deze onze betrachtingen moge gelieven te zegenen aan alle zielen, die dezelve zullen gelieven te gebruiken; gelijk wij zelve zo nu en dan enige hulp daarin gevonden hebben.
En wat u aangaat, beminde Philothea! – die wij bespeurd hebben, dat over uwer ziele zaligheid heiliglijk bekommerd zijt en met grote naarstigheid en bewogenheid uws zelfs zaligheid zoekt uit te werken – ons gebed tot God is, dat gij ook in uw Godzoekende betrachtingen door deze onze arbeid wat moogt geholpen worden, en dat wij dan wederom door u mogen geholpen worden door uw gebeden. Amen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb